Oude meesters, oude zaak

John Taylor is in de National Archives in Washington belast met het beheer van de dossiers van de OSS, de voorloper van de CIA. `Jarenlang waren wij een verstoft, vergeten afdelinkje in de Amerikaanse archiefwereld', vertelt hij in De zaak Goudstikker. Maar: `Sinds 1995 worden we overspoeld door onderzoekers en cameraploegen uit de gehele wereld. Brazilië, alle Europese landen, Japan, van overal komen ze hierheen. Aan hun vragen kun je exact afleiden waar de volgende kwesties aangaande joodse oorlogstegoeden over zullen gaan. Eerst waren het de banktegoeden, toen de vergeten verzekingspolissen, en ik voorspel je: roofkunst is het volgende item. (...) het is grappig dat je zo precies kunt zien wat over een paar maanden wereldnieuws zal worden.'

Op 19 april dient voor de Haagse rechtbank een zaak die het in zich heeft de wereldpers te halen – de New York Times ruimde er al eens een pagina voor in. Inzet van de zaak, die de erfgenamen van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940) hebben aangespannen tegen de Nederlandse staat, is een collectie schilderijen met een waarde van tientallen zo niet honderden miljoenen guldens. De collectie Goudstikker bestaat uit ruim tweehonderd werken van onder anderen Rubens, Steen, Van Ruysdael en Cranach in het Rijksmuseum, het Bonnefantenmuseum en elders. Die schilderijen worden nu geclaimd door de schoondochter en kleinkinderen van Jacques Goudstikker, die in de Verenigde Staten wonen. Tot een aantal jaren terug wisten ze niet van het bestaan van de collectie. Ze werden daar anderhalf jaar geleden op gewezen door de journalist Pieter den Hollander, destijds werkzaam voor het Algemeen Dagblad. Hij spoorde hen aan een claim in te dienen, wat ze ook deden. Den Hollander schreef er vervolgens een boek over: De zaak Goudstikker. Jacques Goudstikker was in de jaren dertig een van Europa's meest vooraanstaande kunsthandelaren. Hij had smaak, visie en zag het als zijn roeping mensen enthousiast te maken voor de schilderijen waarover hijzelf enthousiast was. In zijn kasteel Nijenrode organiseerde Goudstikker tentoonstellingen in de hoop daarmee een breed publiek te bereiken, ook mensen die nooit in staat zouden zijn de dure schilderijen te kopen.

Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, besloot Goudstikker – een jood – te vluchten. Vanuit IJmuiden wist hij met een schip op tijd weg te komen. Maar voordat hij in Engeland van boord kon gaan, viel hij in een luik, waarna hij overleed als gevolg van een schedelfractuur. Zijn personeel, dat in Nederland was achtergebleven, verkocht Goudstikkers kunsthandel aan Alois Miedl, een Duitse zakenman. Hermann Göring, die net als Hitler droomde van zijn eigen museum, nam de waardevolste schilderijen over voor een `vriendenprijs'.

Een deel van de Goudstikker-schilderijen is sindsdien spoorloos, een deel kwam na de oorlog terug naar Nederland. Goudstikkers weduwe probeerde na de oorlog jarenlang de schilderijen terug te krijgen van de staat. Tevergeefs. De Nederlandse overheid stelde zich op het standpunt dat ze vrijwillig aan de bezetter waren verkocht, dus aan de staat toevielen.

Voor Den Hollander staat vast dat hier een groot onrecht is geschied. Maar veel nieuwe feiten om die stelling te rechtvaardigen bevat zijn boek niet. Wel vermoeit hij de lezer met talloze details die straks tijdens de rechtzaak zeker níet aan de orde zullen komen. Zo wijdt hij enkele pagina's aan de verhouding die Goudstikkers schoonmoeder, een beroemde Oostenrijkse zangeres, moet hebben gehad met de componist Mahler. Die schoonmoeder was al dood voordat Goudstikker zijn vrouw leerde kende – dus het is een anekdote die iedere relevantie ontbeert. Maar dat weerhoudt Den Hollander er niet van uitgebreid te citeren uit enkele liefdesbrieven van Mahler.

Smakelijk om te lezen is dat wel, zoals het hele boek snel weg leest, als een spannend jongensboek. En zoals het de auteur van een spannend jongensboek betaamt, heeft Den Hollander de hoofdpersonages ingedeeld in twee categorieën: good guys en bad guys. De nazi's duidt hij steevast aan als `schurken', `trawanten' of `Hitler en zijn vazallen'. Natuurlijk, dat waren ze ook. En de twee miljoen gulden die Göring betaalde voor de prachtige collectie van Goudstikker was een lachertje. Maar Den Hollander voert zijn tweedeling wat te ver door wanneer hij de Nederlandse overheid van nu gemakshalve ook maar bij de bad guys indeelt.

De staat lijkt juridisch sterk te staan omdat de zaak Goudstikker na de oorlog al eens onderwerp is geweest van een lange – voor de familie onbevredigend verlopen – procedure. Het is best begrijpelijk dat de erfgenamen vinden dat hun toen onrecht is aangedaan. Goudstikker was al dood en begraven toen Göring er met zijn schilderijen vandoor ging, dus natuurlijk was van een vrijwillige verkoop geen sprake. Maar juridisch gelijk hebben en moreel gelijk hebben zijn soms twee verschillende dingen. Het is daarom voor de erfgenamen te hopen dat hun advocaten voor de rechtbank met nieuwe feiten komen.

Pieter den Hollander: De zaak Goudstikker. Meulenhoff, 255 blz. ƒ34,90