Op zoek naar buiten

Wat zegt of voorspelt een titel? Laatste gedichten heet de bundel die René Huigen in 1994 publiceerde. De titel van het slotvers, `Mijn laatste gedicht', benadrukte dat het menens was. Onder collega's verspreidde Huigen ook zelf het bericht dat hij de poëzie de rug toekeerde. Na drie dichtbundels zou hij zijn lier aan de wilgen hangen.

Komrij beschikte anders. Met zes gedichten in De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten kreeg Huigen een gulle plek op de literaire landkaart. Dus ging de renegaat weer op zijn knieën voor de muze. Intussen had de `bezorgdheid dat poëzie en leven zo moeilijk hand in hand gaan' hem niet losgelaten. De vraag wat de dichtkunst en het aards bestaan gemeen hebben is dan ook het centrale onderwerp van zijn nieuwe bundel Monument voor een verzonnen dichter.

De bundel opent met een programmatisch gedicht, `De geroepene'. Huigen beschrijft daarin hoe hij op een ochtend, toen hij zich uitrekte na het ontwaken, ontdekte `dat ik mij ondanks / mijn tekortkomingen wist / de wereld binnen handbereik'. En hoe hij daarna zijn lotgenoten opzocht om met hen te praten over kippen, Kant en poëzie, en

Bovenal ook te spreken

over wat me voorbij

de grenzen van

de taal belette

het eigen achterhoofd te raken

en me te krabben op het hoofd

Even verbaasd over wat ik niet begreep

als over de reikwijdte van mijn woorden

Die ik mij vanuit de verte roepen hoorde

Zo programmatisch zijn ook de andere gedichten in Monument voor een verzonnen dichter. Huigen schrijft poëzie over de poëtische ervaring. Dat is een beperkt onderwerp, dat vaak niet verder reikt dan de ruimte tussen boekenkast en schrijftafel. De dichter doet zijn best om daarbuiten te komen, maar dat lukt hem zelden. Daarvoor stoelen zijn verzen te veel op het werk van `lotgenoten'. In `De geroepene' presenteert hij er vier als gesprekspartners, onder wie Carlos (Drummond de Andrade) en Wislawa (Szymborska). Ook de verzonnen dichter uit het titelgedicht van de bundel, Alberto Caeiro, ontsproot niet aan Huigens eigen fantasie. Het is een van de heteroniemen van Fernando Pessoa.

Huigen is een denkende dichter, zoals Pessoa en De Andrade; maar zijn verzen beslaan slechts een fractie van hun filosofisch heelal. Huigens gedachten vormen een nauwe heksenkring om hemzelf `in relatie tot / de poëzie // En over de poëzie / in relatie tot / het leven'. Door zijn blik buiten de werkkamer te richten, tracht hij de cirkelgang te doorbreken; maar die blik loopt dood in een nietszeggend uitzicht – zoals in `Man voor het raam':

Ik wil graag zien wat ik schrijf

maar steeds weer verbaas ik me

over wat ik starend uit dit raam

nooit zien zal

Dat wil zeggen: het blijft doorgaans

verbluffend leeg in mijn hoofd

Hoogstens vraag ik me af wat die wolken

en die vogels daar doen

en wat ze mij te vertellen hebben

Maar nooit fluistert een stem in mij

me hun geheim toe, geen uitzicht

dat hier ooit tot enig inzicht leidt

Noch het vooruitzicht daarop

maakt onze opmerkingsgave tot iets

wat een voortdurend observeren

rechtvaardigt, kijk: we kunnen zeggen

Er staat een man voor het raam

met zijn handen in zijn zakken

Hij kijkt naar de wolken

en de vogels die

aan hem voorbijgaan

Maar wat zegt dat nu helemaal

dat zegt helemaal niets

Geestig, op het banale af, toont Huigen hier zijn poëtische desillusie. Op zulke momenten staat zijn dichterschap buiten kijf.

Toch zijn er, zoals in zijn eerste drie bundels, ook in Monument voor een verzonnen dichter zwakke elementen. De woordspeligheid is minder driest, maar fungeert nog altijd als het hortend drijfwerk van te veel gedichten. De taal is kaler geworden – een verbetering – maar des te duidelijker is het dat Huigen lyrisch tekortschiet. Te dikwijls overheerst de ratio het ritme, te vaak is de gedachte meester van het gedicht.

Ronduit storend is het knechtschap aan Hans Faverey. Herhaaldelijk klinkt een echo van `De chrysanten, / die in de vaas op de tafel / bij het raam staan: dat zijn niet de chrysanten / die bij het raam / op de tafel / in de vaas staan.' Maar telkens weer is het een valse echo, want waar Faverey het perspectief verschuift, volhardt Huigen driemaal in een letterlijke tautologie. En ook speelsere allusies, zoals de wederzijdse vergelijking van het geluid van een afkoelende keukengeiser en het getingel van een bewaakte spoorwegovergang, doen geen eer aan Faverey's voorbeeld.

Niettemin is Monument voor een verzonnen dichter een boeiende bundel. Zijn Laatste gedichten ten spijt, toont Huigen dat hij nog lang niet klaar is met de poëzie. Monument is bovenal een eerlijk onderzoek naar wat hem nog bindt aan het métier dat hij in 1994 vaarwel dacht te zeggen. Hoezeer hij zelf zijn lyrische tekort beseft, toont de openingsstrofe van `Slag in de lucht':

Ook ik zou wel eens willen

mijzelf niet langer in te houden

en mijn beheersing te verliezen,

maar ik weet: het zou mij niet lukken

want er is niets wat ik bedenken kan

dat niet zichzelf inhouden kan

De conclusie lijkt duidelijk. Als de denker in Huigen plaats wil maken voor een niet meer verzonnen, maar heuse dichter, is het waard uit te zien naar zijn volgende bundel.

René Huigen: Monument voor een verzonnen dichter. Veen, 46 blz. ƒ25,-