Meester van schnapps en bloedworst

Kaalslag is het derde deel van de autobiografische trilogie die de afsluiting vormt van het oeuvre van Bohumil Hrabal (1914-1997). Evenals de twee vorige delen, Trouwpartijen en Vita Nuova, drijft het op dezelfde verteltechnische truc: Hrabal laat het verhaal van zijn leven vertellen door zijn vrouw, die in alles van hem verschilt en die een nogal moeizame verstandhouding heeft met haar `kleinood', zoals ze hem consequent noemt.

Het huwelijk is problematisch en wordt in de loop van dit boek steeds liefdelozer. Het is opmerkelijk dat over seks in het hele verhaal met geen woord wordt gerept, je krijgt niet de indruk dat de echtelieden zich daar de laatste dertig jaar van hun samenleven nog mee bezig hebben gehouden. Het is dan ook geen wonder dat het echtpaar kinderloos is gebleven. Wanneer mevrouw Hrabal aan het eind van het boek afscheid neemt van het huisje in Praag waar ze al de jaren van haar huwelijk heeft gewoond, denkt ze: `Ik zag mezelf weer, zoals ik daar in het begin zelfmoord had willen plegen, maar door die man zou ik er niet eens de tijd voor hebben om daaraan te denken, want die man zou me al die jaren zo bezighouden, ik was regelmatig zo kwaad op hem, zo woedend, dat ik helemaal vergat dat ik eigenlijk nog een kind had gewild, want die man van me, dat was op zich al een groot kind, en niet één, maar hij gaf me altijd zo veel werk als een heel schoolklasje van die gestoorde kinderen...'

Dit is niet overdreven want de grote schrijver – `nummer één en de kampioen' – is een moeilijk mens en bovendien slechts zelden nuchter. Hij is niet alleen kampioen schrijver, maar ook kampioen zuipen en zijn moeder – de vertelster lucht regelmatig haar hart bij haar schoonmoeder – noch de vrouw aan wie deze hem later heeft overgedragen zijn in staat geweest een behoorlijk mens van hem te maken. Hij is wat hij is, `in wezen een bleu en bangelijk mannetje', dat ter compensatie de grote druktemaker uithangt.

Het kinderloze echtpaar wordt slechts verbonden door een gemeenschappelijke liefde voor de katten die hun Praagse woning en hun buitenhuisje in de bossen bevolken. Vooral de kater Etan is hun oogappel. Zijn verdwijning is dan ook een grote slag: `Etan had ons weer bij elkaar gebracht wanneer we beiden al dachten dat we niet meer van elkaar hielden, dat we nooit meer van elkaar zouden kunnen houden en bij elkaar zouden kunnen zijn...' Ook Etans opvolgers, drie jonge katjes die uit het bos aan komen lopen, zijn geen blijvertjes, ze verongelukken, verdwijnen of worden door dorpsbewoners voor de lol afgeschoten – waarmee het laatste wat de echtelieden samenbindt wordt vernietigd.

Mevrouw is over zichzelf weinig mededeelzaam, alles wat niet met haar man te maken heeft, wordt terloops vermeld. Maar dat weinige versterkt nog de tegenstelling: de vertelster komt uit een buitengewoon burgerlijk Duitstalig milieu, ze heeft een zeer burgerlijke broer in Oostenrijk en ze verheugt zich aan het eind van het boek op het burgerlijke flatje in een nieuwbouwwijk dat ze krijgen in ruil voor hun huisje op de Dam, dat afgebroken gaat worden, terwijl dat krotje voor haar man juist zijn hele wereld is.

Kaalslag is ook het relaas van een schrijver die langzamerhand beroemd wordt. Na 1968 – het jaar dat de Russen Tsjechoslowakije binnenvielen – neemt zijn reputatie alleen maar toe, hij is nu `schrijver in liquidatie', een dissident, en hij wordt vervolgd, een omstandigheid die in die jaren een snelle wereldroem garandeerde. Onnodig te zeggen dat mevrouw Hrabal dit alles met lede ogen aanziet. Zij heeft toch al nooit een hoge dunk gehad van haar mans schrijfsels, en haar bewondering voor zijn werk wordt met het groeien van zijn roem alleen maar minder. `Mijn man en dat schrijven van hem, dat was een vreselijke warboel en chaos, hij besteedde niet eens zorg aan de stijl van zijn schrijfsels, hij deed er niet eens zijn best voor, ik kende maar weinig grammatica, maar met tamelijk grote zekerheid kon ik zeggen dat mijn man, dat die eigenlijk nooit behoorlijk Tsjechisch heeft kunnen schrijven, die schrijfsels kwamen me voor als een houterige vertaling uit een vreemde taal.'

Wie beroemd wordt krijgt onvermijdelijk andere vrienden. Voor de werklieden uit de kroeg, komen schrijvers, journalisten en kunstenaars in de plaats en ook deze verandering lijkt geen verbetering. Ten slotte is des schrijvers roem zo groot, dat hij bezoek krijgt van niemand minder dan Heinrich Böll. Hoe de doodzieke Nobelprijswinnaar, die wegens zijn levercirrose geen druppel mag drinken, door de alcoholist Hrabal in 1968 vlak na de Russische invasie op een kroegentocht door Praag wordt meegenomen, is een verhaal van overrompelende waanzin.

Seks mag dan geen rol meer spelen in het leven van de schrijver, eten en drinken des te meer. Het beschrijven van bruegeliaanse slemppartijen, van de geneugten van zelfgemaakte bloedworst en zelfgestookte schnapps is een specialiteit van menig Tsjechisch schrijver, maar Hrabal is hier de onbetwiste grootmeester. Zo smakelijk als het eten wordt beschreven, zo troosteloos is overigens het drinken. Hectoliters bier gaan er in dit boek door de keel van de grote schrijver en zijn kornuiten, meestal vergezeld van de nodige glazen sterke drank, maar de ware vreugde zit toch meer in de lekkere schnitzeltjes en verse worst.

Kaalslag is door zijn fragmentarische en associatieve verteltrant, gevoegd bij de lange spreektaalachtige, los gestructureerde zinnen die Hrabals handelsmerk zijn, geen gemakkelijk boek, vooral niet voor wie de voorafgaande delen niet heeft gelezen. Laat dit echter niemand afschrikken, want het idee van een autobiografie door de ogen van de persoon die je meest nabij staat en die je dóór heeft, blijkt zeer doeltreffend. Het biedt de schrijver de mogelijkheid om de eigen talrijke tekortkomingen genadeloos aan de kaak te stellen zonder van koketterie of zelfbeklag te kunnen worden beschuldigd. Het resultaat is een ontluisterend en stekelig zelfportret.

En ook al wordt de eeuwig zure toon van de vertelster soms een beetje eentonig en voorspelbaar, daar staat weer zoveel moois tegenover dat je je uiteindelijk toch onvoorwaardelijk laat meeslepen in de wondere wereld die Hrabal bij monde van zijn echtgenote weet op te roepen.

Kees Mercks, Hrabals vaste vertaler, heeft er ook dit keer weer iets moois van gemaakt: zijn vertaling van Kaalslag is genomineerd voor de Europese Aristeion-prijs. Wie in staat is om zulke volstrekt natuurlijk klinkende anakoloeten als `Hij zat en at graag warm in buurtcafés als de Harp...' achteloos uit de mouw te schudden is volkomen gewaagd aan Hrabals `rare, slordige Tsjechisch'.

Bohumil Hrabal: Kaalslag. Uit het Tsjechisch vertaald door Kees Mercks. Bert Bakker, 192 blz. ƒ39,90