Luchtdicht verpakte monumenten

Kunst bewaren is niet genoeg. Er moet ook iets gedaan worden om het levend te houden. Deel 14 van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Parijs is veranderd, ik ben veranderd. Maar in het vestzaktheater in de rue de la Huchette kun je iedere avond nog steeds Ionesco's eenakter La Cantatrice Chauve te zien, gevolgd door La Leçon. Het is het 43ste seizoen voor deze Mousetrap van het absurdisme, het aantal gespeelde voorstellingen gaat gestaag naar de veertienduizend toe. Het millennium zal moeiteloos gehaald worden. De andere kleine theaters in de buurt zijn verdwenen, het straatje zelf heeft zijn warme Arabische broeierigheid al lang geleden verloren; het is daar nu een en al grill en Griek. Het enige dat me op die plek aan vroeger herinnerde, was dat theatertje met zijn eeuwige Kale zangeres, en misschien was dat de reden dat ik nu eindelijk een kaartje kocht. Natuurlijk had ik er twintig jaar geleden heen gemoeten, toen Ionesco's stuk ongelezen op mijn leeslijst stond, maar ik had in Parijs steeds iets beters te doen.

Ik ging naar binnen en mijn mond viel open. Alsof je in een andere tijd stapt: die uitdrukking hoor je vaak, maar zelf had ik die sensatie niet eerder beleefd, niet zo. Niets moet er in die drieënveertig jaar veranderd zijn. Het decor, de Engelse huiskamer van het echtpaar Smith, was puur Eppo Doeve, met zijn getekende krullen en fletse kleuren. De kostuums riepen in hun namaak negentiende-eeuwsheid de wereld van het boulevardtoneel anno 1950 op. De acteurs speelden navenant, het speeksel vloog alle kanten op, er was veel bedenkelijk fronsen en gerol met ogen. Toegegeven, in hun mooiste schmierende momenten bereikten ze het niveau van Louis de Funès in zijn minste films, vooral de oude vrouw die de dienstmeid speelde (,,Mon vrai nom est Sherlock Holmes'') een rol die ze al vanaf de première in 1957 de hare mag noemen. (Een absurdistisch toneelstuk op zich. Meer dan veertig jaar lang dezelfde rol, dezelfde tekst, hetzelfde dienstbodekostuum en langzaam oud worden en dan sterven.)

Het vreemdst was nog wel het publiek. Dat was namelijk heel erg jong. En er zaten ook nog eens allochtonen bij.

Bij alle breeduit gespeelde oubolligheid begon ik de gêne te voelen die oude rock `n' roll-vaders overvalt wanneer hun zestienjarige zoon plotseling met Mick Jagger aan komt zetten. De kale zangeres was in mijn schooltijd ook al heel lang een klassieker, maar ik leerde toen dat het levende kunst was, op een ongrijpbaar komische manier iets zei over onze wereld, over mij. En hier zat ik naar een lijk te kijken. Maar de jongens en meisjes in het zaaltje lachten, heel vaak zelfs. Het duurde even voordat ik doorkreeg dat ze welwillend lachten, gul, maar niet al te uitbunding.

Uit eerbied. Dit was tenslotte een monument.

Eenzelfde soort eerbied zag ik een paar dagen eerder, toen ik in het Louvre voor de Mona Lisa stond. Het schilderij van Da Vinci was zorgvuldig ingepakt in een huisje achter een glazen wand; het was onmogelijk er veel van te zien. Mensen verdrongen zich om foto's te nemen of met het doek op de foto te komen. Het ging duidelijk om de opwinding van de aanwezigheid van de Enige Echte; de miljoenen reproducties van het bekende lachende gezicht, met of zonder snorretje, hebben het schilderij, in weerwil van alle cultuurfilosofische verwachtingen, alleen maar unieker gemaakt. Tegelijk is het zo bekend, dat het je moeite kost het ook werkelijk te zien ik bedoel niet alleen letterlijk.

Wat als de Mona Lisa er ineens niet meer zou zijn? Wat als iemand het schilderij onherstelbaar zou beschadigen of helemaal vernietigen? Toen in 1871 de communards in Parijs huishielden, bereikte Richard Wagner en zijn vrouw Cosima het bericht dat het Louvre was afgebrand, helemaal, met Mona Lisa en al. Hun vriend Friedrich Nietzsche had het ook gehoord en hij was er ziek van. Zo ziek dat hij zijn voorgenomen logeerpartij bij de Wagners afzegde. Nonsens, zei Wagner, kómen. Nietzsche kwam en toen Wagner zei dat hij zich niet zo moest aanstellen, antwoordde Nietzsche dat voor een man als hij, een geleerde, dit het ergste was dat de mensheid kon overkomen.

Wagner haalde zijn schouders op. Onzin, zei hij, als je geen nieuwe schilderijen kunt maken, ben je het niet waard om de oude te bewaren.

Zo is het. En je kunt alleen nieuwe kunst maken, als je de oude ook levend houdt, niet alleen maar bewaart. Onze cultuur is steeds meer een conserveringscultuur. Zorgvuldig bewaren is een ideaal geworden. We bewaren collecties, herstellen monumenten, organiseren symposia, geven klassieke literaire meestwerken in gebonden reeksen uit. In een wereld van onzekerheden en verandering klampen we ons vast aan erfgoed. Kunst als rots in de branding, als tastbare eeuwigheid. Het zijn de cultuurmonumenten, de kunst waar verleden en traditie aan vastzit, die ons het besef van samenhang geven, een gerieflijk gevoel van continuïteit met het verleden. Dat is ook altijd het voornaamste argument van de verdedigers van kunst en cultuur tegen de barbarij van de geestloze massacultuur.

Maar cultuur is iets anders dan monumentenzorg. Bewaarde kunst zegt ons wie we waren, maar zegt ze ons ook wie we zijn? Wie iets al te goed bewaard, zit voor hij het weet met een fossiel. Luchtdicht verpakte kunst stikt. En wijzelf ook, want door de eerbied van al die geconserveerde, opgepoetste en bijgezette kunst, kan die nooit meer betekenis krijgen voor ons eigen leven. En dus zetten we haar des te gemakkelijker aan de kant.

Alle kunst zit in zichzelf opgesloten. De Mona Lisa betekent op zichzelf niets. Het is mijn blik die haar tot leven wekt. Ik moet haar levend maken, koesteren en verzorgen, steeds weer opnieuw. Anders sterft ze een soort Tamagotchi dus.

Kunst, ook de oudste, moet steeds weer nieuw gemaakt worden. Verspreiders van kunst, politici en stichtingen, denken dat kunst iets is dat je kunt uitdelen. Ze roepen dan ook altijd dat de kunst naar de mensen gebracht moet worden, alsof je hen vraagt fluor of vitaminen te slikken. Geen wonder dat de meeste mensen dan ook naar de Marsreep van de massacultuur grijpen. Het is juist andersom: wij moeten onze eigen verbeelding op de kunst loslaten, onze creatieve geest (wat niet wil zeggen dat iedereen eigenlijk ook best een kunstenaar is). Zonder dat zal geen jongere of allochtoon of jonge allochtoon of wie dan ook ooit iets aan kunst kunnen beleven.

Levende kunst brengt kunst voort. Bijkomend van mijn bezoek aan De kale zangeres besefte ik wat een gezegend land Nederland is, met zijn drie Hamlets per toneelseizoen, steeds weer nieuwe interpretaties en vormen, en zijn inventieve operavoorstellingen de twee kunstvormen waar je dat proces van voortdurende regeneratie van de kunst het duidelijkst in werking ziet. Dat juist die twee, toneel en opera, de afgelopen vijfentwintig jaar van bovenaf steeds weer als elitaire kunst worden bestempeld, geeft aan hoe groot het misverstand is.

Zou er een Nederlandse regisseur zich weer eens over Ionesco kunnen ontfermen?