Huis

Toen mijn moeder was overleden, was daar het huis. Het begon al bij de deur. De onwennigheid met vreemde sleutels, de opluchting als je de greep te pakken hebt. De omzichtigheid waarmee je de deur opent, want het was de eerste keer dat ik zonder aan te bellen binnenstapte.

Alles stond er nog alsof de bewoonster alleen maar even boodschappen aan het doen was. Met mijn jas nog aan ging ik in een van de stoelen zitten en wachtte af. Na enige tijd realiseerde ik mij dat ik het recht had om overal in te kijken, om laden en kasten te openen, om brieven te lezen, om voorwerpen die niet van mij waren in te pakken en mee te nemen.

Ik stond op en deed mijn jas uit. Daarna liep ik door het huis. Huiskamer, zitkamer, keuken, slaapkamer. In de slaapkamer stond een eenpersoonsbed, keurig afgedekt met een blauwe sprei. Wat doet een zoon in de slaapkamer van zijn moeder? Inbreuk plegen, wetten overtreden, handelingen verrichten die tot dan ondenkbaar waren.

Ik opende op goed geluk een van de kasten. Er hingen voornamelijk jurken in. Op de grond stond een klein gepantserd kistje, maar er was geen sleutel bij, zodat ik het ongeopend terug moest zetten. Naast het kistje vond ik een beker, die lang niet was gepoetst. Het was een trofee, die mijn moeder had gewonnen op het onderdeel schoonspringen. Zij heeft mij eens verteld dat zij daar in haar jeugd erg goed in was en dat zij in 1936 op de nominatie stond om uitgezonden te worden naar de Olympische spelen van Berlijn. Helaas werd haar deelname op het laatste moment afgelast, niet vanwege politieke motieven, maar omdat haar eerste man het niet kon verdragen dat zij zich in het openbaar in badpak vertoonde. Zo ging dat in die tijd.

Ik opende een andere kast. Er ligt een aantal van die ouderwetse fotoalbums in. Als ik begin te bladeren, zie ik mijzelf terug als klein jongetje. Er zijn vakantiekiekjes bij uit Ommen, waar we toen altijd logeerden. Er zit ook een krantenfoto tussen van het zwembad in Ommen en ineens herinner ik mij die kwestie. De gemeente Ommen had na lang wikken en wegen besloten een `gemengd' zwembad aan te laten leggen, een besluit dat in die contreien als waarlijk progressief kon worden beschouwd. De architect had zijn opdracht opgevat als gemengd voor mannen en vrouwen, maar toen het bad werd geopend, bleek dat de gemeente onder `gemengd' had verstaan gemengd voor protestanten en katholieken, zodat het bad weer onmiddellijk moest worden gesloten.

Ik blader verder en stuit op een foto van mijn vader, die Mossadeq interviewt, vermoedelijk in het Amstel Hotel. Zou iemand in Nederland nog geïnteresseerd zijn in Mossadeq? Na enige tijd leg ik de fotoboeken weg. Een nalatenschap vergt praktisch gedrag, dat weinig ruimte laat voor nostalgie. Op zoek naar bankafschriften en belastingaanslagen vind ik mijn eigen verzekeringspolis van de AVVL, de Algemene Vereniging voor Lijkverbranding. Mijn grootvader was een van de oprichters van de socialistische AVVL. Dat was in een tijd dat cremeren nog een politieke daad was en de AVVL de Arbeiders Vereniging voor Lijkverbranding heette. Mijn moeder had de polis al klaargelegd. Vanaf mijn geboorte hebben mijn ouders voor mij betaald, de laatste jaren alleen nog maar een tientje. Alles is voor mij geregeld, maar heb ik haar wel eens verteld dat ik liever begraven word?

Ik loop rond, open gangkasten en kijk onder de aanrecht. Ik besef dat ik al aan het beslissen ben over wat ik wil hebben. Een magnetron lijkt me wel handig, hoewel het bezit ervan mij altijd heeft tegengestaan. Ik zie niet graag dat eten in een mum van tijd klaar is. Wat doe ik met twaalf soepkoppen en met gratenbakjes, die je aan de rand van je bord kunt schuiven? Een antieke klok is namaak, dat zie ik nu al. Het marmeren tafeltje is van echt Italiaans marmer, maar ik zou het niet willen hebben. Er is een klein, negentiende-eeuws schilderijtje van een kip, die naar eten zoekt op een boerenerf. Zoet, maar bijna al even voorbij als Mossadeq. Streng selecteert mijn hoofd de dingen, zonder dat ik het in de gaten heb.