Fun is een serieuze zaak

Na de disco kwam de house en daarna de clubs. Uitgaan is een cultuur, met eigen mode, eigen drugs, eigen codes.

,,De weg van exces leidt naar het paleis van de wijsheid'', zei ooit de Engelse dichter William Blake en honderden, duizenden ravers, clubbers en andere nachtvlinders zeggen het hem vandaag de dag nog na - met zoveel hartstocht dat je vermoedt dat ze het liefst voor altijd onderweg blijven. Blake's leuze rolt als een vanzelfsprekendheid uit de mond van Mike Myers in zijn rol van Steve Rubell, eigenaar van discotheek Studio 54 in de gelijknamige film. De regel wordt ook geciteerd in Sheryl Garratts boek Adventures in Wonderland. A Decade of Clubculture, over het uitgaansleven van de afgelopen tien jaar.

Uitgaan - het hele repertoire van drugs, drank, dansen, praten en verleiden - is sinds de begindagen van Studio 54 uitgegroeid tot een cultuur met eigen codes. Hier ontstaan modes, zowel in kleding, kunst en muziek als in drugs- en taalgebruik. Het disco-leven was even `uit' in de beginjaren tachtig, maar met de house-explosie van '88 kreeg het weer zo'n impuls dat de zaken op het Rembrandtsplein in Amsterdam inmiddels in het weekend niet tegelijk kunnen sluiten omdat er anders te veel mensen ineens op het plein komen te staan.

Tegelijkertijd zijn er nu twee films uitgekomen over de begintijd van de discocultuur: Mark Christophers Studio 54, die gisteren in première is gegaan, en Whit Stillmans Last Days of Disco, hier voorlopig alleen op import-video te bekijken. Het is niet raar dat er twee films tegelijk over het onderwerp zijn gemaakt. Integendeel, het is raar dat er niet veel meer gemaakt worden. Want wat is een smakelijker lokatie dan een decadente discotheek? En zijn er aantrekkelijker psychologische verwikkelingen denkbaar dan het spel met identiteiten dat we 's nachts spelen?

`Clubs' heten tegenwoordig de gelegenheden waar deze behoefte in al zijn variëteit kan worden botgevierd. De `club' verwijst naar een besloten sociëteit, naar lidmaatschap en exclusiviteit en dat is precies wat de bezoekers willen: de nacht doorbrengen met gelijkgestemden. `Nightclubbing' noemde Grace Jones ooit een van haar lp's, en ook dat is een gewenste associatie - de nachtclub: `for adults only'. Een discotheek was iets voor tieners, naar een club gaat ook de twintiger, dertiger, veertiger.

En wat zoekt hij daar? Natuurlijk, de opwinding van de muziek, door John Travolta als Tony Manero in Saturday Night Fever al wervend in beeld gebracht door in de openingsscène alleen maar over straat te lopen. Hij doet dat op Stayin Alive van The Bee Gees, waarvan de baslijnen als aardwormen onder je voetzolen kronkelen. Terwijl de zon schijnt en de verfblikken in zijn hand verraden dat hij nog aan het werk is, schittert in Manero's ogen de belofte van de komende nacht.

Maar behalve muziek en vergetelheid, belooft het `uitgaan' ook een leven in het verborgene. Nergens laat een identiteit zich zo makkelijk kiezen als in de nacht. Niet voor niets zijn homoseksuelen de trendsetters van het nachtleven. Voor hen is zo'n toevluchtsoord een noodzaak - waar je niet bent wie je bent, maar wie je wilt zijn. Geholpen door het duister, de geraffineerde belichting en een door drank of drugs gekleurde blik wordt het meisje een dame, de man een vrouw, de iele jongen een door de juiste kleding geflatteerde bink.

Volgens Mark Christophers film Studio 54 ligt de oorsprong van dit spel bij Steve Rubell, de extravagante homoseksuele eigenaar van `54'. Want voor deze Rubell had een barkeeper dezelfde status als een filmster – als hij er maar goed uitzag. Zo kon hoofdpersoon Shane (gespeeld door de op een Grieks beeld lijkende Ryan Phillippe) als eenvoudige jongen uit New Jersey uitgroeien tot prijsstier van `54'– weg te plukken van achter de bar om coke te snuiven met of seksuele diensten te verlenen aan een celebrity.

Rubell maakte van zijn club een vrijplaats, waar iedereen zich kon wanen wie of wat hij wilde. Maar wee degene die zijn spel niet mee wil spelen. Zo is er in Studio 54 weinig toekomst voor de barkeeper die op Rubells `I want to suck your cock', schaapachtig reageert met `But I'm married'. In 54 mòesten de grensen vervagen: tussen man en vrouw, homo en hetero, zwart en wit, ster en barman. De enige grens die overeind bleef was die tussen binnen en buiten. Bij de deur werd bepaald wie mocht spelen en wie niet.

In Last Days of Disco van Whit Stillman (bekend van de film Barcelona, 1994) is het deurbeleid een running gag geworden. Meerdere scènes beginnen met een menigte die op de stoep staat te wachten voor de deur van de fantasieloos genaamde discotheek The Club. Mooie meisjes mogen naar binnen, saaie mannen niet - tenzij ze de juiste jas aan hebben. Maar al zijn dit levensechte beelden, en heeft Stillmans film als ondertitel History is made at Night, het verhaal over een groepje jonge vrouwen (met onder anderen een wezenloos acterende Chloë Sevigny, eerder in Kids en Trees Lounge) dat overdag op een uitgeverij werkt en zich `s nachts in het uitgaansleven stort, maakt niet duidelijk wat voor soort geschiedenis hier gemaakt wordt.

Mark Christopher deed het niet veel beter. Zijn Studio 54 mag dan zwelgen in ranzigheid en bij momenten worden gered door een vileine Mike Myers (Wayne's World, Austin Powers) als sfeermaker Steve Rubell, de beroemde discotheek wil maar niet meer worden dan de toevallige biotoop van een stel berekenende Newyorkse carrièremakers. En het verhaaltje is zo dun dat we moeten concluderen dat Christopher in dezelfde val stapte als Ian Kerkhof die in zijn speelfilm Naar de klote! (1996), over een provinciaals meisje verstrikt in de Amsterdamse housescene, een rauwe vormgeving en het steeds maar weer tonen van drugsconsumptie de plaats liet innemen van een verhaal.

Ibiza

Betoverender en inzichtgevender dan deze films is dan ook het boek dat de journaliste Sheryl Garratt schreef na ruim tien jaar participerende observatie, Adventures in Wonderland. A Decade of Club Culture. Garratt is Brits, dus haar boek is vooral hartstochtelijk over het Engelse clubleven. Maar ze schreef ook een grondige geschiedenis van de Newyorkse scene en die van Ibiza, ze verwijst af en toe zelfs naar die van Amsterdam.

Al is de disco groot geworden in New York (in 1978, op het hoogtepunt van de disco-trend van Saturday Night Fever, waren er in New York alleen al zo'n 15.000 disco`s), de `discothèque', vertelt Garratt, is een Franse vondst: een collectie platen, ontleend aan het woord `bibliothèque'.

De oorsprong van de discothèque, als plaats waar men danst op muziek van platen in plaats van live-gespeelde liedjes, verklaart misschien enigszins de hang naar het `ondergrondse' die ook iedere clubber vandaag de dag nog kenmerkt. Het begon in Parijs in de oorlog toen jazz door de bezetter verboden was. De enige mogelijkheid om nog op jazz te dansen was op muziek van platen, gespeeld in schamele keldertjes. De labels van deze platen werden afgeplakt, zodat een onverhoedse inval de danslustigen niet zou verraden.

Die zweem van `verboden vrucht' zijn de clubs nooit meer kwijtgeraakt. Denk maar aan de geheime dansmiddagen die Turkse jongeren tegenwoordig in de Randstad organiseren (geheim voor hun ouders), en de eindeloze hoeveelheid houseparty's die zich sinds het ontstaan van house hebben voorgedaan (geheim voor de autoriteiten): in afgesloten stukken tunnel, in pakhuizen, in afbraakpanden, vliegtuigloodsen, schuren en op stukken braakliggend land.

In New York werd de `discothèque' in de jaren zestig populair als `disco', onder anderen dankzij Richard Burton die zijn echtgenote verliet voor Elizabeth Taylor. De verlaten vrouw wilde een verzetje en opende een club, Arthur`s. In Arthur's werkte een discjockey, Terry Noel, die zijn tijd ver vooruit was. Noel experimenteerde met licht en spiegelballen en draaide geen verzoekjes maar koos zijn platen in wisselwerking met de sfeer op de dansvloer. Naar verluidt vroeg ooit John Wayne een liedje aan, waarop Noel de betreffende plaat uit de kist pakte, hem op zijn knieën in tweeën brak en zei dat hij het nummer helaas niet kon draaien omdat de plaat stuk was.

In de jaren zeventig waren het Newyorkse dj's als Frankie Knuckles en Larry Levin die gesteund door de homo-populatie van de West Village disco's begonnen als Paradise Garage en SoHo Place. Maar aan de disco-liefde kwam begin jaren tachtig een einde, met als dieptepunt een vinylverbranding van disco-platen tijdens een honkbalwedstrijd in Chicago, onder het motto `disco sucks'. Ondergronds, in de homo-clubs van Chicago muteerde disco tot house. En deze nieuwe muzieksoort in combinatie met de nieuwe `partydrug' xtc, zorgde eind jaren tachtig voor een uitgaansmanie. Op de dansvloer ontstond een nieuw menstype, voor wie het leven draaide om het nachtelijk vertier. Waarvoor `fun' een serieuze zaak werd, en de dag van geen belang was – uitsluitend nuttig voor herstel van de nacht ervoor. De drugs zorgen voor een gevoel van saamhorigheid en de bonkende groove van de veelal instrumentale houseplaten geeft voldoende houvast om een nacht lang door te dansen. En voor wie na een nacht nog niet voldaan is, ontstond het fenomeen van de afterparty: een tot in de namiddag durende nazit van de echte `die hards' die op een dieet van pillen, thee en zweefmuziek nog wat uitvibreren.

Veldslagen

De dansexplosie van `87 is het echte onderwerp van Garratts boek. Hier begint ze haar opgewonden en opwindende verslag van de housebeweging als ondergrondse stroming met tientallen illegale feesten, die inmiddels een rijke voedingsbodem van clubs en feest-organisaties is geworden. Tegen de klippen op, natuurlijk - vooral in Engeland, waar de pubs om elf uur 's avond dicht moeten. Garratt, journaliste voor onder meer het trendgevoelige tijdschrift The Face beschrijft uit eerste hand de veldslagen tussen jongeren en politie die op de ringweg rond Londen werden uitgevochten. Ze vermeldt de eindeloze vindingrijkheid waarmee de feest-organisatoren de autoriteiten wisten te misleiden. Zoals entrepreneur Tony Colston-Hayter die op een avond de politie ontving met in zijn hand een stapel briefpapier van een videobedrijf dat, zo stelde hij de agenten gerust, de nieuwe video voor Michael Jackson aan het draaien was. Het binnenstromende publiek waren de figuranten. Colston-Hayter noteerde zelfs de adressen van de dienders, om vrijkaarten te kunnen sturen als Jackson weer eens zou komen optreden.

Maar vooral gaat het Garratt om de hartstocht van de aanhang. Tekenend hiervoor is de beschrijving van een feest waar de geluidsinstallatie om 6 uur 's ochtends werd afgebroken om elders te worden gebruikt. In de tijd die nodig was om een nieuwe installatie te improviseren, sloegen de feestvierders tegen de muur met bierblikjes en flessen, ze klapten, en stampten met hun voeten om het ritme gaande te houden en zo hun dans te kunnen voortzetten.

In ruil voor die toewijding krijgen de uitgaanders steeds verzorgdere feesten en mooier aangeklede dansgelegenheden. Vergeleken bij veel Engelse en ook Amsterdamse (zoals de al meer dan tien jaar geliefde RoXY) clubs nu, waar complete decor-teams wekelijks nieuwe uitdossingen bedenken steekt zelfs een glamourtent als Studio 54 maar bleekjes af. De hedendaagse clubber is bereid langs wiebelige trapjes af te dalen naar een feest op een illegale en dus opwindende lokatie zonder wc, en met bier uit blik. Maar als hij een officiële zaak bezoekt wil hij turbo-geluid, de nieuwste snufjes op het gebied van licht, entertainers, ster-dj's en lekkere hapjes.

Zoals in de jaren negentig het `super-model' furore maakte, is er nu ook de `super-club'. Londen bijvoorbeeld heeft de Ministry of Sound met een eigen platenmaatschappij, radiozender, dj-agentschap, winkel en kledinglijn - en hetzelfde, al is het kleinschaliger, geldt voor de Amsterdamse RoXY en Escape. De cultuur van de nacht heeft een vanzelfsprekende plaats gekregen binnen de algemene cultuur. Kledingmodes, muziekstijlen, beeldende kunst (Micha Kleins computertaferelen met xtc-pillen en elfachtige uitgaansmeisjes, onlangs te zien in het Groninger Museum) komen in deze proeftuin tot wasdom. Vooral drugs danken hun grote omloopsnelheid aan de experimenteerlust van het nachtvolk. Zoals armlastige kleine jongetjes ooit ontdekten dat je van solutie ook stoned kunt worden, zo testen clubbers alle mogelijke medicijnen op hun verdovende/opwekkende/ophitsende/hallucinogene werking. Verschillende spierverslappers en narcoticums hebben het al tot `party-drug' geschopt. Zo is de Amsterdamse party-elite inmiddels in de ban van GHB – een moeilijk te doseren vloeistof die een diepe (bij verkeerde dosering tot coma oplopende) ontspanning en, als gevolg daarvan, versoepeling van seksuele normen oplevert. De middelen die als `drug' worden ontdekt zijn zelden nieuw. GHB bijvoorbeeld wordt al lange tijd gebruikt door bodybuilders, omdat het in combinatie met trainen een grotere spiermassa oplevert.

Hoever de cultuur van de nacht soms doorwerkt blijkt uit de maatschappelijke ontwikkeling van de travestiet. Na een marginaal bestaan in duistere barretjes was de travestiet plotseling geliefd als `candy-girl' in hippe clubs. Vervolgens wilde iedere zichzelf respecterende dansgelegenheid een travestiet als gastvrouw, en ontdekte de tv de charme van de als man verklede vrouw als blikvanger bij shows en quizzen. Inmiddels heeft ook Café Valentijn in Amsterdam-Oost op zondagmiddag zijn eigen travestiet-verkiezing.

Studio 54 van Mark Christopher is nu in het land te zien. Whit Stillmans Last Days of Disco is te huur als import-video. Sheryl Garratt: Adventures in Wonderland. A Decade of Clubculture. Uitg. Headline. Prijs 39,90.