Een polyhistor geëerd

Over Dedalo Carasso, de Amsterdamse cultuurhistoricus die van 1968 tot aan zijn veel te vroege dood in 1995 conservator van het Amsterdams Historisch Museum is geweest, verscheen onlangs een prachtig boek, een boek om hem en om zijn werk te eren.

Dedalo Gerrit Carasso was in oktober 1940 in Amsterdam geboren. In een van de atelierwoningen in de Zomerdijkstraat die in 1934 aan de zuidelijke rand van de stad waren gebouwd. Zijn vader was de Italiaanse beeldhouwer Federico Antonio (Fred) Carasso die aan het eind van de jaren dertig in Nederland was komen werken en wonen. Dedalo, de oudste zoon, ging in 1960 in Amsterdam geschiedenis studeren en werd een toegewijde leerling van professor Presser van wie hij de voorliefde voor de geschiedenis van de mondelinge overlevering kreeg toegediend. Als beginnend historisch student maakte hij zich al snel verdienstelijk met een nogal gewaagd artikel over de jaren 1940-1945 in het gedenkboek over de geschiedenis van het Amsterdams studentenleven (1932-1992). Ook schreef hij een interessante doctoraalscriptie over jonkheer De Geer, de Nederlandse minister-president die zich aan het begin van de Tweede Wereldoorlog als weinig krachtig politicus liet kennen. Zijn kunstzinnige kwaliteiten toonde hij bovendien in de Amsterdamse Studentenalmanak van 1963 die hij en ik en anderen gezamenlijk hebben geredigeerd.

Na zijn studie werd Dedalo Carasso, die een Amsterdammer in hart en nieren was, conservator van het in 1926 gestichte Amsterdams Historisch Museum dat sinds 1975 in het voormalige Burgerweeshuis in de Kalverstraat is gevestigd. Over de bijna dertig jaar dat hij aan het museum verbonden was, gaat het boek In de ban van het beeld` Het boek dat uit achttien opstellen van Carasso zelf en vijf bijdragen van bevriende historici bestaat, is een prachtig verzorgde publicatie.

De museumconservator die met dit boek geëerd en herdacht wordt, was – zoals de historicus M.C. Brands hem noemt – een polyhistor; hij wist veel van zeer uiteenlopende historische onderwerpen, zij het dat die vrijwel allemaal op de een of andere manier met de hoofdstad en de haar omringende regio hadden te maken. Toen hij en zijn vrouw Marijke in Abcoude gingen wonen, kreeg hij het Geindorp bijna even hartstochtelijk lief als Amsterdam, wat belagers van het dorpsschoon en de landelijke rust soms duur kwam te staan. Bijvoorbeeld toen er plannen ontstonden om aan het Abcouder Meer een Holiday Inn-hotel te bouwen. Dan was Carasso op zijn vurigst en kon men hem beter uit de buurt blijven.

In het ereboek zijn niet alleen vijf mooie opstellen van Carasso over de zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst waaraan hij een proefschrift had willen wijden, te vinden, maar ook een aantal stukken die direct samenhangen met zijn conservatorschap van het Amsterdams Historisch Museum. Tweeëndertig tentoonstellingen had hij op zijn naam staan en evenzovele publicaties daarover. Alles was goed en gedegen gedocumenteerd en tot in de details verzorgd. Hij kon, zoals Carry van Lakerveld schrijft, denken én doen, hij was een knap tekenaar en had veel liefde voor en verstand van typografie. Naast de organisatie van zovele exposities, schreef Dedalo Carasso nog een tiental boeken en ruim dertig artikelen, waarvan enkele samen met zijn echtgenote, de even Amsterdamse historica Marijke Carasso-Kok.

Wat mij het meest trof zijn Carasso's stukken over zijn vader, over beelden en beeldhouwers in de bezettingstijd en over het ontstaan van het Nationaal Monument op de Dam. Bij de laatste twee onderwerpen als ook uit zijn bezorgdheid over het behoud en het onderhoud van het koopvaardijmonument in Rotterdam, dat een creatie van zijn vader was, bleek Carasso's mateloze betrokkenheid bij wat met het jongste verleden te maken had. Het is inderdaad, zoals in het boek herhaaldelijk te kennen wordt gegeven, bijzonder jammer dat aan het leven van deze begenadigde cultuurhistoricus en cultuurfilosoof, op zo'n betrekkelijk jonge leeftijd een eind is gekomen.

Dedalo Carasso: In de ban van het beeld. Opstellen over geschiedenis en kunst. Onder redactie van Carry van Lakerveld, Roelof van Gelder en Marijke Carasso-Kok. Verloren, 296 blz. ƒ50,–