Een klagende balling

Zelden is er in de westerse literatuur zo geklaagd en gemopperd als in de ballingschapspoëzie van de Romein Ovidius. Maar was de dichter wel serieus? Hield hij van overdrijven? Of heeft hij zijn ballingschap helemaal verzonnen?

`Ik ben een banneling.' Dat zegt Ovidius, in de eerste regels van het vierde boek van zijn Tristia. Dat is dan geen nieuws meer. In de meer dan tweeduizend versregels die aan deze constatering vooraf gaan is wel duidelijk geworden dat hij verbannen is. En dat hij daaronder lijdt is in de drie voorgaande boeken ook maar al te goed gebleken. Toch trof, na al die eerdere verzuchtingen, die ene regel mij – vermoedelijk om geen andere reden dan om de harde waarheid ervan, uitgesproken zonder opsmuk. Hier komt het op neer, dit is wat Ovidius steeds weer onder ogen moet zien, alle uitweidingen en uitvluchten ten spijt: `Ik ben een banneling.'

Hij zegt het in een korte passage waarin hij zijn lezers om begrip vraagt. Er zullen in deze gedichten zeker gebreken zijn aan te wijzen, zo veronderstelt hij, maar hij hoopt dat wij willen bedenken in welke omstandigheden hij ze nu schrijven moet: als een banneling, schrijvend om maar niet aan verdriet ten onder te gaan. Na dit beroep op de welwillendheid van de lezer gaat zijn brief weer over in poëzie, in een reeks vergelijkingen met zangers die net als hij zingen uit noodzaak, om de ellende te vergeten:

Zo zingt, ofschoon geketend, zelfs een slaaf al spittend

Zijn deun, en voelt zich minder afgebeuld.

Zo zingt, gekromd in 't zeel, voorover op de

slikrand,

Hij die een logge schuit stroomopwaarts zeult.

En zo volgen er nog een paar: een roeier die zingt bij het roeien, een herder bij het hoeden, een meisje bij het spinnen, Achilles die zijn Briseïs mist en ten slotte Orpheus die al zingend het verlies van zijn Eurydice beweent. Binnen enkele regels is de klacht over het eigen lot verbonden met die van een hele stoet lotgenoten, uit de alledaagse werkelijkheid en uit de mythologie, uit heden en verleden, van slaaf tot held, van een anonymus tot Orpheus, toch niet de minste dichter om je lot mee te vergelijken. In zulke passages zien we weer even de oude Ovidius, de Ovidius van de Metamorphosen, aan het werk, soepel van de ene naar de andere vergelijking dichtend, de zelfbewuste, trotse dichter die de klacht over zijn eigen lot pas beëindigt als hij het met dat van Orpheus vergelijken kan. Maar er zit ook meteen iets tragisch aan, ben ik geneigd te denken: hier probeert iemand uit alle macht de ellende te ontvluchten, maar steeds moet hij opnieuw ondervinden dat er geen ontkomen is aan de harde waarheid die even onder ogen werd gezien: `Ik ben een banneling.'

Funeste fout

Ovidius is in de westerse cultuur het klassieke voorbeeld van de tragische balling. Hij is niet de dissident die zelf ook wel weg wil, niet de onaangepaste burger die aanvoelt dat het voor hemzelf beter is maar vast te vertrekken, maar de man die, zonder dat hij zelf goed weet waarom, de woede van de autoriteiten (keizer Augustus) opwekt en op een kwade dag te horen krijgt dat hij zijn geliefde Rome dient te verlaten. Hij is dan, in 8 na Chr., vijftig jaar oud en een alom gewaardeerd en geprezen dichter. Hij wordt verbannen naar een heel ver, eenzaam, guur oord: het havenstadje Tomi, aan de kust van de Zwarte Zee. Daar zal hij, na jaren van ellende en eenzaamheid, in 17 na Chr. sterven, zonder Rome ooit nog te hebben teruggezien.

Dat is het overgeleverde verhaal, waar niet veel meer aan gewijzigd zal kunnen worden, want getuigen zijn niet meer in leven en nieuwe ooggetuigeverslagen zullen vermoedelijk niet meer opduiken. Voor de waarheid zijn we aangewezen op wat de verbannen dichter er zelf over zegt in zijn vijf boeken Tristia (voltooid in 12 na Chr.) en zijn vier boeken Epistulae ex Ponto (geschreven tussen 12 en 17 na Chr.). Dat zijn uit de aard der zaak nogal subjectieve bronnen. Bovendien was Ovidius ook nog eens gedwongen tot vaagheid en vriendelijkheid: zijn brieven en gedichten uit Tomi hadden ook de bedoeling Augustus (en, na diens dood, Tiberius) gunstig te stemmen.

De vraag waarom Ovidius werd verbannen is daarom moeilijk te beantwoorden. Zelf spreekt hij nadrukkelijk van `een fout', `mijn funeste fout', `een stommiteit', `een fout, geen misdaad' en van `een dwaling en geen euveldaad'. Zijn verbanning zou te wijten zijn aan `carmen et error', aan een dichtwerk en een blunder. Met het dichtwerk is vermoedelijk de Ars amatoria bedoeld, zijn lichtzinnige leerdicht over de liefde. Het was populair, en het zou kunnen dat Augustus, in zijn streven naar een herstel van de oude ingetogen Romeinse waarden, juist de schrijver van deze veelgelezen erotische poëzie heeft willen treffen. Ook naar de aard van de blunder kan alleen maar gegist worden. Het lijkt erop dat Ovidius iets gezien heeft wat hij niet had mogen zien: `'k Had ogen, dat is wat men mij verweet' schrijft hij in de Tristia, wat wel een erg ironisch verwijt zou zijn aan het adres van een dichter die zo goed kijken en zo beeldend dichten kon. Maar wat hij dan gezien zou hebben weet niemand. Augustus betrapt bij een van diens amoureuze uitstapjes? Deelgenomen aan de uitspattingen van Augustus' wellustige kleindochter Julia, die kort na Ovidius eveneens werd verbannen? Er zijn nog wel meer veronderstellingen geuit, maar geen ervan valt vooralsnog te bewijzen. Duidelijk is wel dat Ovidius zich veel te zwaar gestraft voelde en dat hij er belang bij had zijn omstandigheden zo zwaar mogelijk voor te stellen: zodat men zich in Rome nog eens zou afvragen of zoveel ellende wel het verdiende loon voor zo'n beroemde dichter was.

Guur oord

En zo ontstonden de Tristia, de Sombere gedichten, zoals ze nu in de nieuwe vertaling van Wiebe Hogendoorn heten. Ze gelden als het model voor alle ballingschapsliteratuur. Ze kunnen tevens opgevat worden als het model voor het genre van de klaagzang, want zelden is er in de westerse literatuur zo lang en zo aanhoudend geklaagd en gemopperd als in deze Tristia. Het komt er, kort gezegd, op neer dat er niets deugt daar in dat verre Tomi. Er is de balling veel aan gelegen zijn in Rome achtergebleven vrouw en vrienden (die zich voor zijn zaak moeten inspannen) daarvan op de hoogte te stellen. Wij mogen dan wel denken dat Tomi een prettig badplaatsje aan de Roemeense Rivièra was, op de plek van het huidige Constantza, gelegen op dezelfde hoogte als bijvoorbeeld Rimini en Nice – volgens Ovidius was het een bar en barbaars, woest en ledig, koud en guur oord. Hij schreef zijn brieven en gedichten niet in Tomi, maar in `de verte', `op verre kust', `ver van huis' dan wel `ver weg aan vreemde kust', `het verst van heel de aarde'. Hij wordt niet moe te herhalen hoe ver Tomi van Rome is verwijderd. Hij bevindt zich daar `aan de wereldrand', `de rand der aarde', `in een uithoek van de aarde', in een land dat `hangt aan de rand' van het Romeinse Rijk. Het is `een gruwzaam oord' en een `barbaars oord', gelegen in `een barbaars gebied', in een `woest land', bevolkt door `Bessen, Geten, woeste Sauromaten' – en geen gewone Geten, maar ook nog eens `gebroekte Geten' (het dragen van een broek duidde in de ogen van een Romein op een ernstig gebrek aan beschaving). De inboorlingen spreken met `barse' stemmen, ze hebben `stuurse' dan wel `ruwe tronies' en zijn voorzien van `woest' haar en van baarden `die nooit geschoren worden'. Boeken lezen ze niet, Latijn spreken ze niet. Het is, kortom, `alles barbarij en klanken als van beesten.'

Het milde klimaat schijnt in de jaren dat Ovidius in Tomi was een wel zeer opmerkelijke verslechtering te hebben laten zien. Barre kou, gure vrieswind, stijfbevroren witberijpte grond, de zee zelfs met ijs bedekt – dat is wat we er vooral over horen. Nooit eens lekker strandweer. `Twee jaren paksneeuw komt geregeld voor' meldt de dichter, als hij er zelf nog maar net woont. `Arctische dwarrelsneeuw blokkeert alom de woning / en poolkou houdt het bevend volk bekneld.' Zo koud is het er dat de wijn alleen in de vorm van bevroren schijven kan worden geserveerd:

IJspegels doen hun haren rinkelen, hun ruige

Berijpte baard blinkt door een witte sprei.

De open wijn staat stijf en houdt de vorm der kruiken,

Geen teugen, maar brokstukken drinken zij.

Het is niet de enige plaats waar het klagen van Ovidius overgaat in humor. Dat is ook meteen, vind ik, een van de grote charmes van deze Sombere gedichten. Zoveel geklaag en zoveel overdrijving, zoveel herhaling en zoveel variaties op het ene thema van de ellende, in zo'n kort bestek – het is vermoedelijk niet de bedoeling van de dichter geweest, maar het heeft iets humoristisch en iets aanstekelijks. Er kan na lezing van deze ballingschapsklachten een mooie lijst van zwartgalligheden worden aangelegd, en niet alleen over het ellendige klimaat. Over de vele lichamelijke kwalen en kwaaltjes: `pijnloos is geen enkel plekje meer'. Over de eenzaamheid: `ach, wie gelukkig zijn wil, komt hier niet.' Over de troosteloosheid: `wie troost mij in mijn triestheid?' Over het verdriet: `U vindt in heel het werk niets dan geween.' Over bezit en gemis: `Zo kwelt mij wat ik heb én wat ik mis.' Over het noodlot: `Geen lot kan triester dan het mijne zijn.' Het is allemaal begrijpelijk, en het zou allemaal ons diepste medelijden moeten oproepen, maar het is te veel en het keert zich daarom op een gegeven moment vanzelf tegen de klager. `Mijn vele leed', `mijn zee van leed' – ons is het al gauw duidelijk, maar Ovidius blijft er graag in zwelgen. Dit zijn geen Tristia (de titel is trouwens niet van de dichter zelf), dit zijn Zwelgia.

Dat Ovidius keizer Augustus gunstig wil stemmen is al even begrijpelijk, maar in zijn kruiperige en onverbloemde gevlei gaat hij voor post-Romeinse begrippen wel heel erg ver. Stroopsmeren en kontlikken is het parool. Augustus is `van Rome's macht de stutbalk en behoeder', hij is de `Heer van het rijk', en nog wel meer: `god', `grootste god', `de koning des hemels'. Volgens Ovidius is er op aarde `geen mens zo mild' als Augustus – al is hij elders gelukkig ook wel zo eerlijk om toe te geven wat de bedoeling van zijn geslijm is: `Ik zing wat hem bevalt, als maar mijn straf verzacht wordt.'

Daar gaat het Ovidius allemaal om: strafverzachting, om te beginnen overplaatsing naar een minder ver verbanningsoord. Hierdoor is het moeilijk zijn gedichten met moderne ogen te lezen. Om kunst om de kunst of om pogingen tot zielsanalyse ging het niet. Ovidius had wel wat anders aan zijn hoofd. Deze vijftig brieven en gedichten waren nadrukkelijk ook bedoeld als pleidooi voor zijn zaak, smeekschrift aan de keizer, aansporing aan het thuisfront om zich voor zijn terugkeer te blijven inspannen. En indien al als poëzie bedoeld, dan toch vooral als bezigheidstherapie. Ovidius dicht, zo schrijft hij zelf, om niet `geestelijk te verkwijnen'. Het gaat hem helemaal niet meer om kwesties van techniek of inspiratie – het is `reële rampspoed' die hier gedichten doet ontstaan. En mocht iemand er niet van gecharmeerd zijn, dan kan hij zich daar niet al te druk om maken: dat ligt dan niet zozeer aan de dichter Ovidius, maar aan zijn ellendige omstandigheden. `Niet ik spreek, 't is mijn noodlot dat hier spreekt.' Elders vergelijkt hij zichzelf met de tien jaar lang rondzwervende Odysseus. Hij kan niet anders dan concluderen dat zijn eigen noodlot veel droeviger is, onder andere op grond van dit curieuze argument: `En dan was zijn [Odysseus'] gezwoeg nog grotendeels verzonnen, / Maar mijn verdriet, daar is geen fictie bij.' Geen fictie: meestal heeft Ovidius er belang bij de indruk te wekken de waarheid te spreken. Maar op andere momenten komt het hem juist goed uit niet met zijn versregels vereenzelvigd te worden, bijvoorbeeld als hij Augustus probeert uit te leggen dat de dichter van de Ars amatoria heel iemand anders is dan hijzelf. `Mijn werk is merendeels verzinsel en verdichtsel / En veel lichtzinniger dan zijn auteur.' En: `Een boek verraadt ook geen mentaliteit, maar wil slechts bekoorlijk zijn'.

Smeekschrift

Al deze ballingschapsbrieven en -gedichten bewegen zich voor mijn gevoel tussen die twee uitersten: tussen `geen fictie' en `merendeels verzinsel'. Het grote probleem is dat niet goed valt uit te maken waar bij Ovidius de retoriek overgaat in oprechtheid, waar een smeekschrift weer een zakelijke mededeling wordt, en waar listig advocatenproza afgewisseld wordt met poëzie – en omgekeerd. Daar komt ook nog eens bij dat hij, althans in moderne ogen, psychologisch niet al te handig is en als klager en meelijwekker soms zelfs zijn eigen glazen lijkt in te gooien – al is het natuurlijk ook mogelijk dat er tweeduizend jaar geleden heel anders geklaagd en stroop gesmeerd werd dan nu. (Er zijn Ovidiusgeleerden die menen dat er voor de goede verstaander juist heel veel kritiek verborgen zit in de Augustushielenlikkerij.)

Zo is er nog wel meer dat de hedendaagse lezer onzeker maakt: zijn overdreven ijzige voorstelling van het klimaat in Tomi, zijn egocentrische, om niet te zeggen hondse omgang met vrouw en vrienden, zijn dichterlijke plezier in dubbelzinnigheden en ander woordspel, ook als de inhoud om een wat serieuzere toon lijkt te vragen. Het stelde me gerust in de inleiding van vertaler Wiebe Hogendoorn te lezen dat ik kennelijk niet de enige ben die zich al lezend begon af te vragen of Ovidius wel ooit in Tomi is geweest. Waarom zou hij die hele ballingschap niet gewoon thuis in Rome hebben verzonnen, omdat het zo'n mooi dichterlijk gegeven was? Hogendoorn houdt dat vooralsnog voor een `zotte theorie', maar ook hij slaagt er niet in alle twijfel over het werkelijkheidsgehalte weg te nemen. Volgens hem gaat het daar ook niet om, al begrijp ik eerlijk gezegd nog niet goed waar het Ovidius dan wel om zou gaan: hij zou een beeld van zichzelf als `de ideale balling' hebben willen geven, `in de hoop dat die metafoor ook voor hemzelf gunstige gevolgen zou hebben'. Zo ideaal lijkt mij het ballingsbeeld dat Ovidius hier van zichzelf geeft intussen nog niet.

Waar gebeurd, gemeend, authentiek of niet: het zou er niets toe moeten doen en het is, meen ik, niet erg modern om daar nog over in te zitten, maar het is voor mij wel degelijk een probleem. Spreekt hier een eenzame balling die zo wanhopig is dat hij de waarheid geweld aandoet, zich vernedert en zich in het stof wentelt, zijn vrouw zowat uitscheldt en tegelijk zijn keizer tracht te paaien met de meest goedkope complimentjes? Of lezen we hier een dichter die lekker zijn gang kan gaan en zich kunstig in zijn rol uitleeft en en passant de keizer bekritiseert met de meest dubbelzinnige complimentjes? Was ik maar tweeduizend jaar eerder geboren, in Rome, liefst met nog wat verre familie in Tomi - dan zou ik er wellicht een echt standpunt over gehad kunnen hebben. Nu bleef er niet veel anders over dan enigszins onthand en wat ongemakkelijk toch maar te proberen zo autonoom mogelijk te genieten van de mooie opsommingen, de bevlogen reeksen vergelijkingen, de hartverscheurende verzuchtingen die hier tussen allerlei andere bevreemdende passages wel degelijk te vinden zijn – in een soepele, levendige, meeslepende vertaling, waarvoor Hogendoorn al doende een eigen versvorm vond: eenheden van twee regels, met een lange assonerende en een volop rijmende korte regel. Of hij het origineel daarmee recht heeft gedaan kan ik niet beoordelen, maar het Nederlands in elk geval wel. Zeker voor dit soort half betogende, half lyrische poëzie lijkt het mij een geschikte vorm. En ook voor de lange opsommingen, waarvan er nogal wat te vinden zijn, is het een vondst, want de vorm leidt vanzelf tot een mooie ritmische afwisseling tussen breedvoerig en compact. Zo moeten wij ons de ramp voorstellen die de balling getroffen heeft:

Tel schelpen aan het strand, tel zaden van

papavers,

Tel bloesemblaadjes in een rozenperk,

Tel dieren in een woud, tel vissen in het water

Of tel de veertjes van een vogelvlerk,

Dan telt u wat mij kwelt aan rampen, in getale

Gelijk aan druppels in de oceaan.

Ik zwijg van lijfsgevaar, te voet en bij het varen,

Van handen, dreigende mij dood te slaan:

Mij kwelt barbaars gebied, het verst van heel de aarde,

Een plaats waar rondom woeste horden staan.

Mooi, ja. Maar die gedachte wordt meteen gevolgd door een minder esthetische bijgedachte: maar wat een ellende – als het tenminste waar is.

Ovidius: Sombere gedichten - Tristia. Uit het Latijn vertaald en toegelicht door Wiebe Hogendoorn. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 240 blz. ƒ65,–