Duisenberg doorbreekt patstelling

Monetair gezien was er weinig reden voor de forse renteverlaging die de ECB gisteren doorvoerde. De buitenlandse en binnen- landse economische politiek van Euroland lijken een grotere rol te hebben ge- speeld.

De geroutineerde Kremlin-watcher had het moeten zien aankomen: er mocht gisteren worden gefilmd bij de aanvang van de vergadering van de raad van bestuur van de Europese Centrale Bank in Frankfurt.

Waarom beeld van de vergadering? Als er nieuws te verwachten valt. En in de dealingrooms van de Nederlandse banken was het opgevallen dat centrale banken, die veel van hun overtollige deposito's op de geldmarkt uitzetten tegen korte looptijden, die looptijden de afgelopen week hadden verlengd. Was dat geen bescherming tegen een rentedaling die de centrale banken zelf later zouden doorvoeren?

Routine in het inschatten van de verbale en non-verbale signalen uit Frankfurt is er echter nog niet: de bank is nog maar drie maanden in vol bedrijf. Dat de ECB haar rentetarief gisteren zou verlagen werd wel verwacht. Maar het halve procentpunt dat president Duisenberg na afloop aankondigde was duidelijk een verrassing.

De basis-herfinancieringsrente, het belangrijkste tarief voor de geldmarkt, gaat van 3 naar 2,5 procent, zo besloot de ECB gisteren. Daarmee is de Europese rente op een recordlaagte terechtgekomen. Vraag is wat de centrale bankiers tot deze stap heeft bewogen. De groei van de geldhoeveelheid, die in januari nog opliep, heeft aan tempo verloren in februari. Maar het driemaands gemiddelde van de geldgroei, dat de ECB hanteert, bedraagt nog steeds 5,1 procent. En dat is boven de referentiewaarde van 4,5 procent die Frankfurt dit jaar als leidraad neemt voor het rentebeleid.

De inflatie in Euroland is met 0,8 procent zeer laag, maar lijkt zijn bodem te hebben bereikt. Ook in januari was de inflatie 0,8 procent waarmee de neergaande lijn – voorlopig – is gestopt. De stijgende olieprijs kan er op de middellange termijn voor zorgen dat de inflatie zelfs weer wat oploopt, hoewel dat wellicht in het komende maart-cijfer nog niet te zien zal zijn. De kredietverlening aan de private sector, zo zei Duisenberg, blijft intussen flink groeien. Aan liquiditeit op de financiële markten is ook al geen gebrek.

Op monetair gebied was er kortom weinig reden om de rente met zo'n forse stap te verlagen. De koers van de euro, die flink afkalfde van 1,18 dollar per euro begin dit jaar naar 1,07 dollar, leek zich juist de afgelopen weken te stabiliseren op een laag niveau. Ook hier lijkt er weinig reden geweest te zijn om met een renteverlaging de euro verder uit te hollen. Bovendien zijn er landen in Euroland waar de economische groei en de inflatie eigenlijk te hoog zijn voor de renteverlaging. Op basis van een verwachte inflatie van ruim 2 procent heeft Nederland nu nog maar een minimale reële (voor inflatie gecorrigeerde) rente. En in landen als Portugal is de reële rente zelfs negatief.

Zo blijven er ruwweg drie redenen over: de algehele toestand van de Euro-economie, politieke overwegingen van binnen-Europese aard en politieke overwegingen van buiten-Europese aard. Om met het laatste te beginnen: van Amerikaanse kant is er steeds sterker op aangedrongen dat ook Europa zijn steentje bijdraagt aan het herstel van de wereldeconomie. De Amerikaanse economie blijft dit jaar redelijk op stoom, maar de binnenlandse consumptie en investeringen die de economische groei daar dragen hebben wel gezorgd voor een oplopend tekort op de Amerikaanse handels- en betalingsbalans. Euroland heeft een flink overschot, en dus vragen de Amerikanen Europa, net als zij Japan al jaren doen, zijn binnenlandse vraag te stimuleren. Nog gistermiddag drong de Amerikaanse onderminister van Financiën Edwin Truman daar openlijk op aan.

De manier waarop die stimulering moet plaatshebben is het domein van de binnenlandse politiek van Euroland. Nu het in veel landen, met name in Duitsland en Italië, economisch slecht gaat, dreigen de begrotingstekorten op te lopen in de richting van de gevarenzone van 3 procent. Afgesproken is dat de tekorten niet boven dat plafond mogen stijgen. De ECB, die daar een inflatiegevaar in ziet, dringt juist aan op begrotingsconsolidatie, en gelijktijdige introductie van een flexibeler arbeidsmarktbeleid om de werkloosheid terug te dringen.

Zo is er sinds vorig najaar een patstelling ontstaan tussen de `politiek' en de centrale bankiers: als jullie je houden aan de begrotingsafspraken, dan kijken wij daarna wat we met de rente kunnen doen, was de instelling van de bankiers. Nee, stelde de andere kant, als jullie de rente verlagen, kijken wij daarna wat we aan de begrotingstekorten kunnen doen. De stem van de Duitse minister van Financiën Lafontaine was daarbij een van de krachtigste.

Het belang van Lafontaines vertrek uit het kabinet-Schröder, een maand geleden, moet niet worden overdreven. Maar het heeft de strijd wel van prestige ontdaan en de ECB ruimte gegeven voor een gebaar. En dat gebaar is gisteren in Frankfurt gemaakt.

Op een vraag of de stap van gisteren zoveel betekende als: `Hier heb je de renteverlaging, nu moeten jullie leveren', antwoordde Duisenberg: ,,Met die diagnose heb ik weinig moeite.''