Detmold

Ik ben een beetje verdwaald in de lente. Mijn Turkse taxichauffeur doet alsof hij weet waar het dorp Holzminden ligt, maar we zijn al anderhalf uur onderweg. Zijn Duitse collega's hadden hem naar het westen gestuurd, naar Minden, en nu gaan we weer naar het oosten.

We rijden door het vakantieland van mijn grootouders, de vakwerkstadjes heten Detmold en Bad Pyrmont, ze ruiken naar broodjes en pas gesteven schorten en de pensions beloven een `Gutbürgerliche Abendtisch'. De struiken worden lichtgroen, tractoren ploegen de bruine akkers, en ergens in mijn hoofd speelt een liedje, het Lippe-Detmoldlied, dat iedereen zong toen Bernhard met Juliana trouwde. De tekst ben ik kwijt, maar het ging over een soldaatje dat vrolijk over deze heuvels ten oorlog marcheerde.

Mijn taxichauffeur holt een tankstation binnen, de mannen staan wat te lachen. We rijden nu weer naar Hamelen. De meter is al enige tijd stopgezet.

Na ruim twee weken is de nieuwe Europese oorlog hier allang geen liedje meer, hij is bij de mensen in de botten gekropen, en volgens de laatste enquêtes is zelfs de helft bang dat de strijd over deze bossen en akkers zal komen. Ook de plaatselijke kranten staan vol oorlogsnieuws en lokale hulpacties, maar het belangrijkste is het gevoel: dit is mis. Mijn chauffeur stopt weer, sprint een winkel binnen. We rijden een kwartier. Bij een stoplicht klampt hij een andere auto aan. Een half uur verder rent hij een tuin in, waar een oude man staat te spitten. ,,Alles in Ordnung'', zegt hij voordurend, terwijl het zweet boven zijn donkere ogen staat en de klok tikt.