De schijn van een vitale held

Thomas Mann schreef boeken waar lezers om kunnen lachen, want hij geloofde, zei hij zelf, in `een verkwikkende vorm'. Zijn verkwikkendste roman was tevens zijn laatste. Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull uit 1954 gaat over een eenvoudige jongeman die zich voordoet als markies en daar intens van geniet. En je neemt automatisch aan dat Thomas Mann tijdens het schrijven ook genoot van Felix' schelmenstreken. Wat een klap om dan in Manns dagboek te lezen: `De Krull ervaar ik als ongepast en deprimerend onafzienbaar.' Spoorloos verdwenen is in dit dagboek de verkwikkende vorm: de zwierigheid heeft plaatsgemaakt voor korte, korzelige zinnen en met een verbitterde hardheid haalt de schrijver zijn eigen schrijven omlaag.

Roem en verliefdheid, zoals de Nederlandse bloemlezing uit Thomas Manns laatste dagboeken heet, maakt korte metten met het imago van Thomas Mann als een vitale held à la Goethe, barstend van werkdrift en tot het einde toe ongebroken. Eén ding dat zijn dochter Erika in haar verheerlijkende Bericht über meinen Vater beweert is waar: tot vlak voor zijn dood op 12 augustus 1955 reisde Thomas Mann nog stad en land af om voordrachten te houden en iedereen die hem hoorde spreken, was onder de indruk van zijn ernst, humor en energie. Maar de spreker zelf wist, in juli 1953: `Wat ik nu leid is een postuum leven dat vergeefs naar productieve steun zoekt.' Hij voegde daaraan toe: `Nam een pil en vond rust voor de nacht, die het beste deel van de dag is geworden. Zo is het als je jezelf overleeft.'

Eigenlijk, vond Thomas Mann, had hij moeten sterven toen hij klaar was met Doktor Faustus. Dat was `een werk van uiterste consequentie, een slotwerk in elke zin', zoiets als de Parsifal van Richard Wagner. Maar Richard Wagner ging na het voltooien van dat slotwerk netjes heen, terwijl Thomas Mann, met zijn zeventig jaren toch vrijwel even oud, nog tien jaar verder moest. `De Krull opvatten als een Faust', zo klaagt hij op die bewolkte julidag, `is nauwelijks mogelijk.' En `vol weerzin', ja `lijdend' zet hij zich aan het werk.

Manns dagboeken uit de jaren 1949 tot en met 1955, de periode die de bloemlezing bestrijkt, zijn van een beklemmende monotonie. Woensdag 12 januari 1949: `Begon met grote moeite de voordracht te schrijven, kwaad over de gebruikelijke verkramping.' Zaterdag 3 februari 1951: `De hele dag zeer onwel, geplaagd en prikkelbaar.' Woensdag 16 september 1953: `Geloofde ik maar meer in het werk.' Zaterdag 25 juni 1955: `Ik voel me vaak onwel, vooral op dagen van stoelgang. De zorg om mijn toekomstig werk bedrukkend op het ellendige af.'

Natuurlijk: die nauwkeurige registratie van zijn `zenuwtoestand' hoorde bij het sensitieve kunstenaarstype dat Thomas Mann in zijn werk zowel bewondert als bekritiseert. Reeds in zijn vroege novelle Tonio Kröger is de kunstenaar, in tegenstelling tot de burger, een zwak en zigeunerachtig-onsolide wezen, en in Felix Krull valt hij samen met de liegende en bedriegende titelfiguur. De twijfel over de legitimiteit van het schrijverschap was altijd al een trouwe begeleider van Thomas Mann, en toen hij oud werd, kwam daar de gêne bij over de kloof tussen zijn groeiende roem en slinkende scheppingskracht. Maar er was meer dat hem depressies bezorgde.

In 1949 berooft zijn zoon Klaus zichzelf van het leven en vader Thomas schrijft: `Lang samenzijn in bitter leed. Mijn medelijden innerlijk met het moederhart en met E. [= Erika]. Hij had het hun niet mogen aandoen. Veel over hem en de op den duur onweerstaanbaar opkomende doodsdrift. Het krenkende, onschone, wrede, nietsontziende en onverantwoordelijke.' Niet met sentimenteel geweeklaag, maar met een onverzoenlijk oordeel reageert de vader op het doodsbericht en juist dat maakt zijn geschoktheid navoelbaar.

Vertwijfeld ziet hij toe hoe Erika na de zelfmoord van Klaus achteruitgaat. Ze verlangt, net als Klaus deed, naar de dood en neemt, net als Klaus deed, te veel drugs; ze lijdt aan chronische slapeloosheid en is overdag ongenietbaar. Ze is ook een geweldige steun. Erika regelt Thomas Manns tournees, kort zijn voordrachten in, hakt met en voor hem knopen door. Wat ze ervoor terug wil is zijn exclusieve liefde. Zodra een broer of zus de aandacht van haar vader trekt, produceert zij het gif van de afgunst.

Verder zit die vader met de bezorgdheid over de wereld. De ooit zo dankbare immigrant Thomas Mann, van 1942 tot en met 1952 gesetteld in een eigen huis in Pacific Palisades, California, en sinds 1944 Amerikaans staatsburger, gaat zich in de Verenigde Staten steeds onbehaaglijker voelen. Vadertje Roosevelt is dood en het McCarthyisme ondermijnt de mensenrechten. Het klimaat van haat en hetzes herinnert Thomas Mann aan het Derde Rijk, zijn droom van Amerika als een `grote kosmopolitische gemeenschap' valt aan diggelen. En hij is bang voor oorlog, voor alweer een oorlog. Maar in het communisme gelooft hij evenmin en zo staat hij tussen alle fronten. In het Oosten legt men zijn kritiek op het communisme uit als socialistisch humanisme; het Westen stopt hem in het hokje van de communistenvríenden.

Hoeveel gepieker er voorafgaat aan Manns besluit naar Europa te remigreren blijkt uit een op een Europese verkenningstocht gemaakte aantekening uit 1952: `Gisteren weer veel over het voorlopig onoplosbare probleem van onze terugkeer of niet terugkeer. Erika's situatie [haar is door de VS een reenter permit geweigerd] die tot protesterend wegblijven aanzet, de moeilijkheid van de verkoop van het huis en van onze installering hier etc. – zorg, onzekerheid, onrust.' En dan ineens de juichkreet dat hij weer in Zwitserland wil wonen, aan het meer van Zürich net als tijdens zijn ballingschap in de jaren dertig, alleen deze keer `niet om te leven, maar om te rusten en te sterven.' Echte rust vindt hij daar niet; het huis in Erlenbach valt tegen; voor de zoveelste keer moet er worden verkast. Naar Kilchberg, Manns laatste domicilie.

In zijn dagboek schrijft Thomas Mann dat hij zich schaamt voor zijn verwendheid en het klopt dat hij zonder luxe niet leven kan. Talloos de tirades, tijdens zijn reizen, over het slechte eten, de slechte service, de slechte kamers in de hotels. Die hotels brengen nog een ongemak met zich mee, verrukkelijk, intiem en heikel. In de zomer van 1950 heet dat ongemak Franz Westermeier. Thomas Mann aanbidt de jonge kelner uit Duitsland. `Hij stond een keer zo dicht naast mij, en ik zei hem dat de tomatensoep voor mij was. Zijn zeer hoffelijk reageren.' De verliefde oude heer houdt zichzelf met moeite in de hand. `Hoe kun je met heren slapen', kreunt hij verontwaardigd na het lezen van een boek van Gore Vidal. Tegelijkertijd roept Franzl met zijn Beierse accent verzaligde herinneringen op aan zijn eerste vlam in München. Verwarring alom. En moedeloosheid. En trots, over de teruggekeerde potentie.

Thomas Mann sublimeert zijn tegenstrijdige gevoelens in het blijmoedige essay Die Erotik Michelangelo's (1950) en in het fatalistische verhaal Die Betrogene (1953), over een oudere vrouw die, verliefd op een jonge knaap, plots weer gaat menstrueren. Zij blij: ze heeft haar vruchtbaarheid, haar vrouwelijkheid terug! Zij blij: tot aan het licht komt dat haar bloedingen worden veroorzaakt door een kwaadaardig gezwel. Om geen schandaal te wekken maakt Mann van de mannelijke verliefde, van hemzelf, een vrouw, zodat het object van de verliefdheid een jongen kan blijven. Maar de begerende vrouw begaat een overtreding omdat zij oud is en ze boet daarvoor met de dood. `Erika', noteert Thomas Mann in het verschijningsjaar van Die Betrogene, `vertelt van Klaus' opwinding over het feit dat al mijn liefdesverhalen tot het terrein van het verbodene en dodelijke behoren – terwijl ik toch `gelukkige echtgenoot en zesvoudig vader ben'. Ja, ja....'

Aan vertaler Paul Beers ligt het niet dat de dagboekschrijver weleens een beetje kreupel formuleert. Beers stelde al eerder een leesbare selectie uit Thomas Manns dagboeken samen: Duitsland heeft me nooit met rust gelaten, Amerikaans dagboek, 1940-1948. Het aansluitende Roem en verliefdheid vat op 350 bladzijden meer dan drieduizend pagina's samen van drie dagboeken die respectievelijk in 1991, 1993 en 1995 in Duitsland uitkwamen. Voor uitgeverij S. Fischer werden zij voortreffelijk ingeleid en geannoteerd door Inge Jens. Het notenapparaat van Paul Beers vertoont helaas hinderlijke hiaten. En door Beers' begrijpelijke streven naar variatie speelt een onevenredig groot deel van de gebeurtenissen zich af op reis, zodat de auteur nog rustelozer lijkt dan hij al was. Maar nu de pluspunten: de Nederlandse bezorger heeft de inleidingen van Inge Jens vrijwel integraal vertaald en sommige van Manns aantekeningen winnen door de bekortingen aan kracht.

Van de reeks, die gestart werd met Dagboeken 1918-1939, is Roem en verliefdheid wat mij betreft het mooiste deel. Niet alleen omdat de ontboezemingen van een oude en breekbare man sowieso ontroeren, maar ook omdat eerlijkheid en moed en gebrek aan ijdelheid zelfs voor een intiem genre als het dagboek bijzondere eigenschappen zijn. Wie durft er zwart op wit, dus houdbaar voor het nageslacht, te stellen dat hij `rectaaljeuk' heeft en `slijmgereutel in de luchtpijp' en `een nachtelijke excitatie'? Wie durft zichzelf te bekennen dat `het wezen' van een van zijn kinderen hem `niet lief' is, dat hij opgelucht is als dit kind weer een tijd uit zijn gezichtsveld verdwijnt?

Zulke waarheden poneren zonder daarbij grof of plat te worden, dat kon, dankzij zijn meer dan het eigen persoontje omspannende engagement, alleen maar Thomas Mann.

Thomas Mann: Roem en verliefdheid. Dagboeken 1949-1955. Vertaling Paul Beers.

De Arbeiderspers, 350 blz. ƒ59,90