De eeuwige glimlach

Op de dodenmasker- expositie in Kleef krijg je neiging om de gelaatstrekken aan te passen aan wat je weet van de beroemde doden.

Van alle borstbeelden voor privé-gebruik is dat van Beethoven wel het meest gewilde. Andere componisten doen het ook goed in dat genre, net als Griekse en Romeinse goden, maar tegen Beethovens kop kan niemand op. De stuurse blik, de verbeten mond, de lange manen die als hevige gemoedsbewegingen om zijn oren golven, ze maken hem tot een archetypische kunstenaar. Dat laatste is meteen ook de beste reden om zo'n buste niet op de salonkast te willen hebben. Voor je het weet hoor je in zijn muziek niets anders meer dan wat zijn gezicht uitdrukt: `O wat ben ik toch diep! En wat heb ik een ijzeren discipline!'

In Slot Moyland, even over de Duitse grens bij Kleef, is deze maanden een kop van Beethoven te zien die iets totaal anders uitdrukt. Hij maakt deel uit van Diesseits und Jenseits, een tentoonstelling van zo'n 120 dodenmaskers en enkele maskers gemaakt tijdens het leven. De meeste zijn van grote beroemdheden, een paar van mensen wier namen niet eens bekend zijn.

Twee maskers van Beethoven zijn erbij, waarvan er een, gemaakt bij zijn leven, de bekende trekken vertoont. Het andere, een dodenmasker, lijkt van geen kant op hem. Noch de vormen, noch de uitdrukkingen herinneren ook maar enigszins aan de componist. Raadselachtig. In de holle ogen en wangen verschuilt zich een diep lijden, de huid heeft de weerloosheid van een geschilde vrucht. Er is geen zwaarte of woede te bekennen, om de mond speelt hooguit een licht scherzo. Het is of Beethoven zijn gelijkenis heeft moeten opgeven om zijn gevoeligheid te kunnen tonen. Het resultaat is een sprekend beeld, letterlijk, want hij lijkt elk moment iets te kunnen gaan zeggen met zijn gipsen lip. Zelfs wie nooit van Beethoven heeft gehouden, spitst hier toch even de oren.

Het is een mooie ervaring om Beethoven zo tot leven te zien komen, juist nu hij er zo onnoemelijk dood bij ligt, en bovendien op een tentoonstelling die er alles aan heeft gedaan om er zelf ook onnoemelijk dood bij te liggen.

Zelden oogt een museumzaal zo schraal en kleurloos. De vitrinekasten lijken op verticale doodskisten, opgesteld in de slagorde van kruisen op een oorlogskerkhof, en met hetzelfde nivellerend effekt. Archiv der Gesichter heet het begeleidende boek bovendien, administratiever kan het haast niet. De hele opzet lijkt te onderstrepen dat deze dode hoofden - afgietsels zonder interpretatie die nooit als kunst zijn bedoeld - ook door tentoonstellingsmakers niet tot kunst kunnen worden verheven. Er gebeurt hier niets, zo luidt de impliciete boodschap, alle winden waaien slechts in het hoofd van de kijker.

Wie weleens een nacht bij een pasgestorvene heeft gewaakt herkent de omstandigheden. Ook dan is alles dood wat de klok slaat, ook dan gebeurt er niets, en ondertussen stormen in je hoofd de wervelwinden. Onafgebroken kijk je naar het voor je liggende gezicht, het gesprek kan niet uitblijven: hij, de dode, bepaalt het onderwerp, en jij, de levende, zoekt naar de woorden. Woorden voor de beelden die je op het dode gezicht ziet liggen, alsof alles wat het in zijn leven gezien heeft er voor een ogenblik naar is teruggekeerd: wijde vlaktes, steile hooggebergten, doodlopende wegen. De dode leeft! Op zijn gezicht ligt de levendigheid van een kade vol passagiers vlak voor de wereldreis. Maar draai niet je hoofd om, want voor je het weet is de boot vertrokken, de kade weer leeg en stil. De schaduwen zijn weer langer, de oogkassen dieper, de huid is dunner, de wangen verder ingedaald, en even ziet je hele persoon de dode onnoemelijk dood, geen ontkomen aan. Je haalt diep adem en wrijft je ogen uit - om het volgende moment alweer een ongekende grijns op de dode lippen te ontwaren, je hoort meeuwen schreeuwen, het dondert en bliksemt. Plotseling is het gezicht weer zo levend als de hel.

Het is de levende hel die te zien is op het dodenmasker van Beethoven, maar vooralsnog niet op andere maskers. De meeste tonen daarvoor niet alleen veel te gave gezichten, ze glimlachen ook alsmaar. Het zijn al geen kunstwerken en dan doen ze ook nog of al die denkers en dichters voor hun lol gestorven zijn.

Wat moeten we bijvoorbeeld met de glimlach op het gezicht van Kurt Tucholsky, de schrijver die toch niet zo'n vrolijk leven heeft geleid en er zelf een eind aan maakte? Zijn goed gevulde hoofd ligt erbij als dat van een industrieel die een dutje doet en droomt van zijn nieuwe stagiaire. Of is het niet Kurt Tucholsky die hier ligt maar Ignaz Wrobel, het pseudoniem waaronder hij een verhaal schreef over zijn eigen begrafenis? Het verhaal eindigt met het grafschrift: HIER RUST EEN GOUDEN HART EN EEN STALEN SMOEL - WELTERUSTEN. Een perfecte samenvatting van dit goedmoedige maar bedrieglijke hazenslaapje.

Of neem Arthur Schnitzler en Karl Kraus. Ook die glimlachen, en nog wel tegen elkaar. Of beter gezegd, om elkaar. De twee waren opponenten in het Wenen van een eeuw geleden, de criticus Kraus bestreed de auteur Schnitzler om zijn mooischrijverij. Nu zijn hun vitrinekisten naast elkaar gezet, als om te laten uitkomen dat ze nog steeds op elkaar zijn gebeten. De glimlach van Kraus is van een superieure spot, Schnitzler lijkt vooral te glimlachen om zijn waardigheid niet te verliezen. Verder over deze doden niets dan goeds. Maar als het sculpturen waren geweest zou de docent zeker hebben geroepen: `Kan het niet wat doder?'

Is het misschien zo dat stervenden in het algemeen vaak glimlachen? Of laten met name glimlachers een dodenmasker maken? Of zeggen stervenden, met het oog op hun dodenmasker, op hun sterfbed nog gauw even cheese?

Waarom zou iemand überhaupt een dodenmasker laten maken?

IJdelheid is het eerste woord dat opkomt. Maar Goethe, van wie op de tentoonstelling twee maskers liggen die gemaakt zijn toen hij nog leefde, noemde de dood `een zeer middelmatige portretschilder'. Hij was duidelijk te ijdel voor een dodenmasker.

Wie in de achttiende en negentiende eeuw, toen dodenmaskers hun bloeitijd beleefden, een afgietsel van zijn dode gezicht bestelde, verzekerde zijn ziel van een hiernamaals onder de mensen. Onder veel mensen ook, want dikwijls werden ze in grote oplagen verspreid. Door ontwikkelingen in wetenschap en techniek waren er al zoveel dingen aan de mens toegevallen die eerder aan God hadden toebehoord, dat ook de ziel maar eens moest seculariseren. En die ziel lag in het gezicht, zij werd veel meer op het lichaam gesitueerd dan erin. De dichter Novalis drukte dat uit toen hij schreef dat de zetel van de ziel zich daar bevindt waar binnen- en buitenwereld elkaar raken.

Het was een tijd waarin het mensbeeld zich om zo te zeggen bewoog van buiten naar binnen, van het fysieke naar het psychische. Psychologie was er nog niet, maar kondigde zich al wel aan. Voorlopers als de frenologie en de fysiognomie, schedelmeetkunde en gelaatkunde, waren al volledig geobsedeerd door psychische en intellectuele kwaliteiten, maar lazen die nog af aan fysieke kenmerken. Zoals dat trouwens in onze tijd opnieuw het geval is, zij het dan dat die fysieke kenmerken inmiddels diep in het lichaam worden gezocht. In de hormonen, de genen en de hersenen.

Wat elk volgend dodenmasker op Diesseits und Jenseits weer oproept, is niet zozeer de behoefte om in de gestolde gezichten een karakter te lezen, maar meer een soort retrofysiognomie: de neiging om de gelaatstrekken kloppend te maken met wat je weet van de beroemde eigenaren.

Het goeiïge, bolronde hoofd van Isaac Newton bijvoorbeeld. Doet onmiddellijk aan de appel denken die hij bij zijn moeder in de tuin van een boom zag vallen, wat hem op het idee bracht van de zwaartekracht.

Of Hermann Hesse met zijn doorsnee opa-hoofd. Is dat 'm nou, de tekstdichter van het monumentale lied Beim Schlafengehen? Er schieten je een paar regels te binnen, en terwijl je ze voor je uit mompelt, lijkt het dode hoofd zich weer te herinneren waartoe het in het lied opriep: afzien van alles, niets meer doen, het denken vergeten, alle zintuigen laten wegzinken in een sluimer. En inderdaad, even later is Hesse helemaal vertrokken, zijn gipsen gezicht zegt niets meer, alle uitdrukking is verdwenen.

En ook de andere dodenmaskers zien er opeens hol en leeg uit. Plotseling is de tentoonstelling weer helemaal wat zij ook bij binnenkomst was: schraal en kleurloos, een Archiv der Gesichter. De koppen in de vitrines vertonen nog slechts toevallige grimassen, waarin zij, op het ogenblik dat de dood toesloeg, zijn teruggevallen of blijven steken. Geen enkele betekenis. Er gebeurt hier niets, zelfs in het hoofd van de kijker zijn alle winden stilgevallen.

Nergens een grijns, geen schreeuwende meeuwen, geen donder en bliksem, geen leven.

Terug naar Beethoven dan maar, misschien dat die weer wat houvast kan bieden. Net als op een kerkhof flitsen de namen voorbij van de verzamelde overledenen, die heel goed een schoolklas zouden kunnen zijn uit een boek van Bordewijk: Niebelschütz, Billinger, Hausenstein, Mungenast, Kommerell, allemaal schrijvers. En dan, als een duvel uit een doosje: Nietzsche, filosoof.

Er zijn twee dodenmaskers van hem, waarvan een met zijn typische kenmerken. Maar de kop is volkomen uitdrukkingsloos, stereotiep en glad. Dat dankt de filosoof aan zijn zuster, die dit masker jaren na zijn dood heeft laten omvormen tot een borstbeeld voor op een salonkast. Een volkomen verkitschte Nietzsche.

Het andere exemplaar is het tegenovergestelde en maakt grote indruk. De fiere tragiek van Nietzsche zit er helemaal in, al is hijzelf, op zijn hangsnor na, totaal onherkenbaar. Het uitgeputte hoofd lijkt zich van alles af te keren, zich zelfs terug te willen trekken uit het gips, weg van zijn eigen afdruk. Een wenkbrauw hangt als een gordijn voor zijn oog, als om het licht van de wereld buiten te sluiten. Zijn andere oog is leeg, alsof zowel het ooglid als de pupil ontbreken. De mond is onzichtbaar achter zijn snor, maar uit alles valt op te maken dat zijn schreeuw, als die komt, hartverscheurend zal zijn. Een schreeuw uit de hel.

Dit dodenmasker van Nietzsche is, net als dat van Beethoven, onnoemelijk dood. Daarin verschillen de twee fundamenteel van de meeste andere, die in hun dood-zijn iets lacherigs en slaperigs houden. Nietzsche en Beethoven zijn zo dood dat ze niet eens meer op zichzelf lijken, en juist daardoor komen zij, paradoxaal genoeg, tot leven. Onbedoeld zijn beide koppen kunstwerken geworden, het niets verhullende dodenmasker voorbij. Zij verhullen juist weer wel. Bedoeld als dodenmasker hebben zij zich ontpopt als masker. Nietzsche zal er, bijna honderd jaar na zijn dood, nog steeds blij mee zijn, want ergens in Voorbij goed en kwaad merkt hij op: `Alles wat diep is houdt van maskers. De allerdiepste dingen koesteren zelfs een haat tegen afbeeldingen en gelijkenissen.'

De gelijkenissen van Beethoven en Nietzsche zijn volledig verdreven door hun lijden, dat hun gezichten tot in alle plooien doortrekt. Hun koppen zijn de uitzonderingen die laten zien dat dodenmaskers, de cultus van het genie en die van het lijden altijd sterk met elkaar verbonden zijn geweest. Een dodenmasker kreeg je als je een genie was, en een genie werd je door te lijden.

Het jongste dodenmasker in Diesseits und Jenseits is dat van de Duitse toneelschrijver Heiner Müller, die stierf in 1995. Het is een anachronisme van jewelste, want de cultuur van het dodenmasker is allang en voorgoed voorbij. De dood is inmiddels omzichtig uit ons blikveld weggewerkt, vitaliteit, seks en jeugd zijn ervoor in de plaats gekomen. Het lijden is verruild voor de sensatie, en het genie voor de roem. Zoals je eerst vanzelf beroemd werd omdat je geniaal was, zo word je nu vanzelf geniaal wanneer je beroemd bent. Want dat moet je toch maar voor elkaar zien te krijgen! En als je het dan voor elkaar hebt kom je, in plaats van als niets verhullend gipsen dodenmasker in Slot Moyland, in een nog veel volmaaktere gelijkenis als wassen beeld bij Madame Tussaud.

Het is dezelfde Madame Tussaud die ooit is begonnen als maakster van dodenmaskers. In 1793 maakte ze er een van de politicus en journalist Marat, in opdracht van de schilder David. Deze gebruikte het dodenmasker als model voor zijn beroemde schilderij De dood van Marat. Dat kun je aan het schilderij ook heel goed zien: de zojuist in bad vermoorde Marat zit ontegenzeggelijk te glimlachen.

Diesseits und Jenseits, doden- en levensmaskers uit het Schiller-Nationalmuseum, is tot en met 2 mei te zien in Museum Schlo_ Moyland te Bedburg-Hau bij Kleef. In het najaar gaat de tentoonstelling nog naar Marbach, het volgend voorjaar naar Kassel.