Asjera

In het fascinerende boek A History of God van Karen Armstrong stuitte ik op een intrigerend zinnetje: sommige Israëlieten dachten dat Jahweh een vrouw had, net als andere goden. Archeologen hebben onlangs inscripties opgegraven met de opdracht: `Aan Jahweh en zijn Asjera.'

Helaas ontbeert deze opmerking een noot waarin door Armstrong verwezen wordt naar een publikatie van een archeoloog over deze opgegraven inscriptie. Dolgraag zou ik weten: waar werd deze inscriptie opgedolven? Hou oud schat men hem? Stond er nog iets bij?

Aangezien alle woestijngoden voorzien waren van een gemalin, en alle Baäls van een Astarte, ligt het erg voor de hand dat ook Jahweh een godin aan zijn zijde had. Waarom zou Jahweh als enige in dit gezelschap vrijgezel zijn gebleven? Was hij voorzien van een echtgenote, dan is bovendien ook veel begrijpelijker dat er in het Nieuwe Testament opeens een zoon opduikt.

Toch zei die naam Asjera mij helemaal niets. In de bijbel werd, voorzover ik wist, nergens ook maar gezinspeeld op de mogelijkheid dat zij de gemalin van Jahweh zou kunnen zijn.

Ik raadpleegde een bevriende feministische theologe. ,,Weet jij iets over Asjera, de vrouw van Jahweh.'' Ze zei: ,,De godin Asjera komt herhaaldelijk ter sprake in het Oude Testament.'' Ik was daar heel verbaasd over. Waarom kende ik die naam dan niet? Ik raadpleegde een concordantie op de Nieuwe Vertaling. Op maar liefst zeven plaatsen in het Oude Testament bleek Asjera genoemd te worden. Toen ik ze opzocht, begreep ik ook meteen waarom die naam totaal onbekend voor mij was. Bij mij thuis werd altijd uit de Statenvertaling gelezen en daarin komt de naam Asjera niet voor. De eerste keer wordt zij vermeld in Richteren 3 vers 7. `De Israëlieten deden wat kwaad was in de ogen des Heren, zij vergaten den Here, hun God, en dienden de Baäls en de Asjera's.' Zo staat het in de Nieuwe Vertaling, maar in de Statenvertaling luidt deze passage: `En de kinderen Israëls deden, dat kwaad was in de oogen des Heeren, en vergaten den Heere, hunnen God, en zij dienden de Baäls en de bosschen.'

Bij de tweede vermelding van Asjera, 1 Koningen 15 vers 13, noemt de Statenvertaling haar `een afgrijselijke afgod in een bosch.' Ook bij alle andere vermeldingen van Asjera rept de Satenvertaling steevast over bossen of bosafgoden. Dat is niet zo vreemd. Asjera wordt volgens Arthur Evans altijd in verband gebracht met een levende boom, of de vervanging daarvan in de vorm van een dode staak of paal, `waar de Kanaänitische altaren voor gezet werden.'

Asjera wordt dus zeven maal in het Oude Testament genoemd. Nergens echter wordt er ook maar op gezinspeeld dat zij de gemalin van Jahweh zou kunnen zijn geweest. Van Asjera wordt integendeel juist verbluffend veel kwaad gesproken. Zoveel kwaad dat het lijkt alsof krampachtig geprobeerd wordt te verdoezelen dat zij oorspronkelijk juist met Jahweh in verband werd gebracht. In 1 Koningen 15 wordt ons verteld dat Asa koning over Juda werd. Eén van zijn eerste daden was het afzetten van zijn moeder Maächa als gebiedster omdat zij een gruwelijk beeld van Asjera had gemaakt. `Asa hieuw haar gruwelijk beeld stuk en verbrandde het in het dal Kidron.' In 2 Kronieken 15 vers 16 wordt hetzelfde verhaal nogmaals verteld met de toevoeging dat Asa het gruwelijke beeld ook nog verpulverde. Opmerkelijk is wel dat in 1 Koningen 15 ook nog te lezen valt: `De offerhoogten verdwenen echter niet.' Blijkbaar lukte het niet de godinnencultus volledig weg te vagen.

Dat Asjera bepaald niet onbetekenend was, blijkt uit 1 Koningen 18 vers 19. Daarin is sprake van maar liefst vierhonderd profeten van de Asjera. Ze had dus vele volgelingen!

Wat deden die volgelingen? Een tipje van de sluier wordt opgelicht in 2 Koningen 23 vers 7. Daarin lezen we dat koning Josia korte metten maakt met de dienst der afgoden die zo'n hoge vlucht had genomen onder koning Manasse. Die Manasse had zelfs een beeld van Asjera in de tempel van Jahweh geplaatst (2 Koningen 21 vers 7). Dit is de enige bijbelplaats waaruit impliciet blijkt dat Jahweh en Asjera inderdaad op enigerlei wijze gerelateerd waren. Waarom zou Manasse anders een beeld van haar in Zijn tempel gezet hebben?

Enfin, Josia smijt al het gerei voor `de Asjera' weer uit de tempel (2 Koningen 23 vers 4). Hij breekt ook de verblijven af van de aan ontucht gewijde mannen, in het huis des Heren, `waar de vrouwen hoeren voor de Asjera werden'.

Oei, tempelprostitutie! Of alleen maar kwaadsprekerij? Misschien was die cultus van de Asjera in werkelijkheid net zo onschuldig en kinderlijk als de hedendaagse Mariaverering. Ook die mededeling dat Maächa `een gruwelijk beeld' voor de Asjera had gemaakt, lijkt mij roddel. Waarom zou iemand die een godin vereert daarvan `een gruwelijk beeld' maken?

Mij lijkt niet onwaarschijnlijk dat de auteur(s) van de bijbelboeken Richteren, Koningen en Kronieken de godin Asjera met het bijvoeglijk naamwoord gruwelijk te lijf gingen om maar over het feit heen te schreeuwen dat zij aanvankelijk de gemalin van Jahweh genoemd werd. Elk spoor daarvan moest uitgewist worden. Elke vermelding van Asjera diende vervat te worden in pejoratieve termen.

Eén keer heeft in het Oude Testament de censuur het echter laten afweten. Eén keer krijgen we een glimp van de liefelijkheid en vredigheid van zo'n godinnencultus. In Jeremia 44 lezen we: `Wij zullen offers ontsteken voor de koningin des hemels en haar plengoffers brengen, zoals wij gedaan hebben, wij en onze vaderen, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem; toen hadden wij goed ons brood en waren gelukkig en zagen geen rampspoed. Maar sedert wij zijn opgehouden voor de koningin des hemels offers te ontsteken en haar plengoffers te brengen, hebben wij aan alles gebrek geleden en zijn wij door het zwaard en de honger omgekomen.'

Uiteraard gaat de profeet Jeremia heftig tekeer tegen deze pastorale, maar hier blijkt duidelijk dat de eredienst voor de koningin des hemels niets afschrikwekkends had voor haar volgelingen. Integendeel: zij waren gelukkig en zagen geen rampspoed.

In het Christendom heeft de godinnencultus de kop weer opgestoken in de vorm van de Mariaverering, ofschoon Jezus in Johannes 2 vers 4 akelig duidelijk tegen zijn moeder zegt: `Vrouw, wat heb ik met u van doen.' Van Baaren en Leertouwer zeggen in hun boek Doolhof der Goden: `Het is gemakkelijker de moedergodin uiterlijk of officieel buiten de godsdienst te stellen dan haar verering ook werkelijk uit te roeien uit de harten der mensen. Telkens zien wij haar in de een of andere vermomming weer terugkeren. In het rooms-katholicisme is de verering van Maria, overgenomen uit de laat-antieke vroomheid van Isis en andere moedergodinnen, een intrigerend bestanddeel geworden.'

Misschien mogen wij Maria ook zien als de hedendaagse vermomming van die intrigerende koningin des hemels uit het bijbelboek Jeremia, of van Asjera zelf die blijkens een inscriptie, onlangs door archeologen opgegraven, ooit de vrouw was, of misschien zelfs nog steeds de vrouw is van Jahweh.