Altijd alleen in bed

Haar boek kan beter opgevat worden als een portret van Swift dan als een biografie, schrijft Victoria Glendinning. Zij heeft geen nieuwe gegevens opgespoord over de schepper van Gulliver en zij heeft hem niet grondig anders uitgebeeld dan hij tot nu toe bekend stond. Wie alles wil weten over Swift moet de driedelige biografie (1983) van Irvin Ehrenpreis raadplegen. Wat Glendinning heeft toegevoegd is zichzelf, als verwonderde, begrijpende onderzoeker van dit steile karakter. Haar lezers zullen zich de eerstkomende jaren Swift alleen kunnen voorstellen met haar erbij. Hij heeft er voordeel van: zij brengt hem in beweging.

Sinds het werk van Ehrenpreis is Swift een van de bekende persoonlijkheden van de Engelse literatuur. Er was altijd al veel materiaal over hem beschikbaar, en hij heeft zo'n beginselvast en eenzelvig leven geleid dat hij zich duidelijk aftekent tussen zijn tijdgenoten. Als dat vastgesteld is, zijn wij nog niet met hem klaar. Zijn figuur verlangt een oordeel. Wat zat er achter dat beginselvaste leven, en hoe vinden wij hem eigenlijk? In de negentiende eeuw werd hij vaak gezien als een briljante schrijver en een onuitstaanbaar mens. Tegenwoordig wordt hij met meer sympathie bekeken.

Jonathan Swift werd in 1667 geboren in Dublin als zoon van een jong Engels echtpaar. Zijn vader stierf nog voor de geboorte, zijn moeder vertrok daarna zo snel mogelijk naar haar familie in Engeland. De jongen groeide op onder de hoede van Ierse ooms en tantes, ging na zijn studie ook naar Engeland en werd in 1689 privé-secretaris bij Sir William Temple, een ex-diplomaat die ambassadeur in Den Haag was geweest. In 1695, toen hij genoeg had van dat werk, begon hij aan een kerkelijke loopbaan als dominee in een afgelegen Iers dorpje. Dat bleef hij nominaal, ook toen hij al gauw toch maar terugkeerde op zijn Engelse post. Na de dood van Temple in 1699 kreeg hij een grotere Ierse parochie, Laracor, waar hij af en toe verbleef. De volgende tien jaar verdeelde hij tussen Ierland en Engeland en maakte hij naam als satiricus en politiek commentator.

In 1710 begon zijn `veelbelovende' periode. Hij werkte als adviseur en propagandist voor de Tory-regering van Harley en St.John en probeerde intussen hogerop te komen in de kerk, want dan zou hij meer betrokken kunnen blijven bij de politiek. In 1714 stierf koningin Anne en werd de regering weggestuurd. Zijn kansen waren toen verkeken. Hij mocht blij zijn dat hij intussen dean was geworden aan de kathedraal van St. Patrick in Dublin. Dat was een eerzame baan, niet een invloedrijke.

Tot zijn dood in 1745 bleef hij in Dublin, met af en toe een reisje naar Engeland. Hij voelde zich tekortgedaan, al was Gulliver's Travels in 1726 het boek dat iedereen wilde lezen. Hij werd bovendien, hoewel energiek en gespierd, gekweld door duizelingen. Na 1737 begon hij af te takelen en op den duur te dementeren. Op enkele legaten na vermaakte hij zijn geld aan een fonds voor de oprichting van een hospitaal voor `idioten en krankzinnigen'.

In die laatste dertig jaar van zijn leven was Swift een prominente Dubliner, meer geprezen om zijn politieke inzet voor het Ierse belang en zijn sociale werk dan als geestelijke. Het geloof betekende weinig voor hem. De hoofdzaak, vond hij, was dat de mensen zich verstandig gedroegen. In zijn werk constateerde hij zonder pardon dat zij daar niet toe in staat bleken.

In Gulliver's Travels, waarvan buiten Engeland vooral de eerste twee delen bekend zijn, en dan nog als kinderboek, steekt Swift de draak met de pretenties van politici, geleerden en wereldverbeteraars. Met sommige van zijn satires dwarsboomde hij zijn eigen ambitie: A Tale of A Tub bespotte de driedeling van de Engelse christelijke samenleving, tot ergernis van de kerkelijke autoriteiten.

Een onthutsende proeve van zijn rechtlijnige denken is A Modest Proposal uit 1729, waarin hij uitlegde hoe de voedselproblemen en overbevolking van Ierland opgelost konden worden door het opeten van kleine kinderen, die in allerlei gerechten heerlijk zouden smaken. Zoals hij het schreef klonk het alsof hij de vriendelijkste bedoelingen had, ook met de kinderen die anders toch maar aan de bedelstaf zouden raken. De lezer wordt verdeeld tussen ontsteltenis en lachlust. Bedoelde de man het als grap? Nee, het was het negatief van een preek: dodelijk in plaats van stichtelijk.

Dat Swift door volgende generaties soms afwijzend beoordeeld werd, lag minder aan zijn werk, dat meestal respect afdwong, dan aan zijn leven. Een enkele keer lag het ook enigszins aan zijn werk, vooral als dat zijn obsessie met viezigheid vertolkte: ontlasting, afval, verrotting, stank. The Lady's Dressing-Room is zijn bekendste onfrisse gedicht, over Strephon die rondkijkt in de kamer waar Celia toilet heeft gemaakt:

... But oh! it turned poor Strephon's

bowels

When he beheld and smelt the towels,

Begumm'd, bematter'd, and beslim'd,

With dirt, and sweat, and ear-wax

grimed.

De jolige jamben besproeien de lezer met onsmakkelijke beelden. Geen wonder dat sommigen hebben bedacht dat Swift niet helemaal in orde was.

Victoria Glendinning besteedt een hoofdstuk aan zijn scatologie. Zij verdedigt hem tegen preutse critici door eraan te herinneren dat hij als achttiende-eeuwse stedeling omringd werd door meer massa's viezigheid dan wij ons nog voor kunnen stellen, en door te betogen dat sommige andere schrijvers (Rochester, Pope, Gay) er even open over waren. Swift heeft er alleen meer naam mee gemaakt, omdat hij het beter deed, beweert zij.

Wat zij niet kan verhinderen is dat de belangstelling voor viezigheid in verband gebracht wordt met Swifts seksualiteit, die onderontwikkeld of geremd lijkt. Dat is ook een van de redenen voor de antipathie geweest: zijn onvolledige omgang met trouwe vriendinnen en zijn onwil om zich te binden. Esther Johnson bijvoorbeeld kende hij vanaf haar achtste. Haar moeder was huishoudster bij Temple. Zij volgde hem naar Dublin, waar zij bleef wonen toen hij zijn Londense glorietijd beleefde. Hij schreef haar vele tientallen brieven, die na zijn dood gepubliceerd zijn als Journal to Stella (haar bijnaam). Toen hij terug was in Dublin kwam hij als vaste gast bij haar over de vloer, maar een Engelse vriendin van haar moest er op zijn verzoek altijd bij komen zitten. Net zoiets overkwam Hester Vanhomrigh. Ook zij kwam in Dublin wonen en werd aan het lijntje gehouden.

Zulke toegewijde vrouwen met een Swift die graag praatjes wilde maken, hun zorg en aandacht opeiste en zich dan terughaastte naar zijn eenzame ambtswoning. Nooit, zoals hij zelf zei, was hij bereid geweest om het midden van zijn bed met iemand te delen.

Hij bleef op zichzelf en stond zijn intimiteit niet af. Misschien was zijn ware belangstelling homoseksueel, is wel eens vermoed. In ieder geval heeft hij dan daarvan ook niemand het plezier gegund. In moderne ogen ziet Swift er wel vreemder uit dan honderd jaar geleden, toen nog niet aangenomen werd dat eigenlijk iedereen seksueel even sterk geprikkeld is. Of zou hij impotent geweest zijn, zoals George Orwell dacht. Of zelfs dat niet?

Er zijn nog andere verleidelijke onzekerheden die tot de geschiedenis van Swift behoren. Esther Johnson was waarschijnlijk een buitenechtelijk kind van Sir William Temple, maar er is geopperd dat Swift zelf er ook één was: zoon van Sir William of anders van diens vader, Sir John. Voeg daaraan toe de bewering van enkele tijdgenoten dat hij zich in 1716 toch heeft laten overhalen tot een geheim huwelijk met Esther, om haar gerust te stellen, en daarna natuurlijk meteen terugkeerde naar het midden van zijn eigen bed. Overweeg dan ook het aansluitende geheim: waarom kwam hij enige tijd later geagiteerd en onaanspreekbaar uit de kamer van de aartsbisschop van Dublin? Had hij te horen gekregen dat hij werkelijk een Temple was en dus met zijn zuster of nicht was getrouwd?

Dit kan de indruk wekken dat Glendinning schrijft als een boulevardjournalist. Dat zou een misverstand zijn. Zij behandelt Swift met alle aandacht, respect en humor die nodig zijn om hem scherp in beeld te krijgen. Zij doet weliswaar niet veel aan zijn literaire werk, aan zijn rol in de politiek en zijn stijl in de kerk. Het gaat haar om de man zelf. Zijn vreemde en onaangename kanten komen duidelijk naar voren. Bovendien blijkt dat veel bekenden daar best tegen konden. Met zijn vrienden – de dichter Pope, de literaire arts Arbuthnot en de schoolmeester en classicus Thomas Sheridan – bleef hij levenslang praten en corresponderen. Ook de vrouwen die hij op een afstand hield waren niet zonder reden dol op hem. Victoria Glendinning heeft evenmin klachten over hem. Haar boek leest alsof zij er van ganser harte aan heeft gewerkt en is daarom een zeer vertrouwelijke biografie geworden.

Victoria Glendinning: Jonathan Swift. Hutchinson, 324 blz. ƒ79,60