Alice Miller: Het drama van het begaafde kind, 1979

De titel wekt een misverstand, want het draait toch echt niet om bolleboosjes uit VPRO's Achterwerk die hun nood klagen over het onbegrip van hun domme klasgenoten. Het boek is geschreven voor wie zich goed opgevoed waant, maar toch aan oud zeer lijdt. Tussen andere therapeutische bestsellers (Games People Play van Eric Berne of Thomas Harris' I'm ok, you're ok, allebei uit 1967) nam Das Drama des begabten Kindes een eigen plaats in. Anders dan de vrijgevochten Amerikanen stond de Zwitserse Alice Miller (1923) bij het schrijven `geen alternatief voor de klassieke psychoanalyse voor ogen; integendeel, ik heb binnen het kader van de psychoanalyse naar een manier gezocht om de patiënt zijn vroeg verloren levendigheid, en zijn ware zelf terug te laten winnen'. Zo eindigt het voorwoord uit 1979. Wie de Nederlandse vertaling in de achttiende en volgende drukken (1995) ter hand neemt en met het oorsponkelijke Duitse boek vergelijkt, zal zijn ogen niet geloven. Op last van de schrijfster is elke verwijzing naar de psychoanalyse, tot en met de terminologie, geschrapt. Op één verweesd paragraafje na is de hele discussie over het begrip `narcisme' vervallen. Het boekje dat is overgebleven maakt een geamputeerde indruk. Millers afscheid van de psychoanalyse is met haat en nijd gepaard gegaan, zoals gebruikelijk in die kringen, en lijkt in niets op het `stabiele vermogen om te rouwen' dat zij zelf zo warm aanbeveelt.

Das Drama des begabten Kindes bestond uit drie opstellen: het eerste over de gecompliceerde verhouding tussen analyticus en patiënt, het tweede over depressie en grootheidswaan als twee verwante reacties op kinderlijke krenkingen, en het derde over de minachting die neurotici voor zichzelf en anderen koesteren. In voorwoord en inleiding brak Miller een lans voor het geduldig blootleggen van de kinderlijke gevoelens van de patiënt, zijn `ware zelf'. De analyticus moest geen genoegen nemen met een klinische vaststelling van het psychische conflict: een pleidooi voor wat in het vak `doorwerking' heet. In de herbeleving van oude gevoelens was volgens Miller te veel de nadruk komen te liggen op de controle die de patiënt als volwassene moest uitoefenen over zijn lust, woede en andere opwellingen. Bovendien verzette zij zich tegen de moralistische uitleg die er in vakkringen aan het begrip `narcisme' werd gegeven, waardoor de kinderlijke neigingen van neurotici in een kwaad daglicht kwamen te staan.

In het eerste opstel schetste Miller de emotionele voorwaarden voor een gezond opgroeien. Omdat een ouder niet `een wezen is dat geheel in het kind opgaat, het volledig begrijpt en serieus neemt, en het kind geheel bewondert en volgt',ontstaan er narcistische krenkingen, ook in de beste families. Ouders – bij Miller zijn dat moeders – zetten hun kinderen naar hun hand in plaats van ze met de gouden zorg te omringen die Miller nodig acht. Ouders zijn namelijk zelf verwaarloosde en mishandelde kinderen. Zo groeien kinderen op tot overijverige en bleekzuchtige sloofjes.

Die ontknoping, die Miller nodig heeft om een potdichte samenzwering tegen het kinderlijk narcisme te kunnen postuleren, valt de lezer aanvankelijk rauw op het dak. Maar wie heeft er beter leren luisteren naar andermans verhalen en wensen dan de verwaarloosde kinderen, wie heeft zijn eigen leven zo opzij gezet voor anderen? Het begaafde kind, door Theo Thijssen Het grijze kind (1927) genoemd.

In die voorbeschikking schuilt evenwel een gevaar. De onvervulde kinderwensen van de analyticus kunnen zich namelijk wreken in `tegen-overdracht'. De schijnbewegingen die analyticus en patiënt uitvoeren in wat `overdracht' (patiënt projecteert zijn gevoelens op analyticus) en `tegen overdracht' heet (analyticus beleeft oude gevoelens bij zijn patiënt), zijn in de nieuwe Nederlandse uitgave bijna weggeretoucheerd. Dat geldt ook voor het bittere nawoord dat Miller in haar eerste opstel meegaf. Daarin wijt ze de onverschilligheid van de moeders aan de moeilijke omstandigheden die oorlog en (geallieerde) bezetting schiepen. Dat die omstandigheden in meer dan één opzicht een bevrijding waren voor kinderen, zoals Heinrich Böll in Haus ohne Hüter (1954) vertelde, ontgaat haar.

In het tweede opstel herhaalt Miller dat kinderen recht hebben op `gezond narcisme'. Onberekenbare moeders kweken neurotici. Patiënten zullen lang volhouden dat hun moeder een warm en hartelijk mens was, maar uiteindelijk zullen zij moeten toegeven dat hun moeder heerszuchtig, veeleisend, koud en onecht was. Als zij niet een goede analyticus treffen, blijven ze steken in één van de twee afweermechanismen die het `ik' tegen de krenking in stelling brengt: grootheidswaan en depressie. De `Don Juan', de zwoegende verleider, is een specimen van dat eerste verweer tegen de moederlijke kleinering. Mocht die uitvlucht doodlopen dan rest de zwaarmoedige ontkenning van alle geluk. Met behulp van de `doorwerking' moeten de zwierige mantel van Don Juan en het rouwkleed van de melancholie worden afgelegd, en plaats maken voor het met tranen doorweekte hansopje van het gekwetste kind. Pas dan kan de patiënt afscheid van zijn illusies over zijn ouders nemen.

Het laatste opstel handelt over het letsel dat verachting onder kinderen aanricht. De ouderlijke slagen en hoon wreken zich in een later leven in perversies, dwanghandelingen of gevoelloosheid. Juist in dit deel roept Miller een paar creatieve geesten – Ingmar Bergman en Herman Hesse, beiden slachtoffer van een wrede opvoeding – op als getuigen dat de pijn onder sommige omstandigheden een uitlaat in werk weet te vinden. Die vorm van katharsis zou in latere boeken van Miller, bijvoorbeeld in Bilder einer Kindheit (1985), een steeds grotere rol spelen. Opmerkelijk is dat juist het opstel over de risico's van de verachting het enige is dat in de nieuwe versie belangrijk uitgebreid is. In de oorspronkelijke versie waren al enige toespelingen op een mogelijke politisering van neurotische minachting gemaakt, maar de aanslagen op vreemdelingen na 1989 hebben Miller geïnspireerd tot een scherpere waarschuwing voor het wreken van neurotisch leed op maatschappelijk zwakkeren.

Net als Millers latere werk getuigt dit van fatalisme tegenover de neurotische predispositie. Kinderen lijken gedoemd om de gebreken van hun ouders te herhalen. De meeste psychiaters – behalve zij die zich de valstrikken van de overdracht bewust zijn – versterken alleen het depressieve en dwangmatige leven van hun patiënten. In de psychoanalyse vond zij grond voor haar sombere opvatting over het gezinsleven bij de vroege Freud. Tot 1896 (Zur Ätiologie der Hysterie) had Freud gedacht dat de neurose zijn wortels had in een vroege seksuele verleiding van het kind door zijn verzorgers. Later had hij die verhalen van zijn patiënten naar het rijk van de fantasie verwezen en verklaard dat de kinderlijke seksualiteit een eigen, verborgen, agenda had. Miller nam Freud deze desavouering van de `trauma-theorie' kwalijk. Zij was ook niet de enige die op grond van overvloedige bewijslast heeft tegengeworpen dat incest en kindermishandeling geen verhitte verbeelding zijn. Met dat al blijven, zoals bij elk gerechtelijk onderzoek blijkt, de kinderlijke incest-herinneringen twijfelachtig.

Na de oorlog groeide bovendien in brede kring de bezorgdheid over de gevaren van een tekort aan moederlijke affectie. In ons land had de zenuwarts J.H. van den Berg daartegen in 1958 met Dubieuze liefde in de omgang met het kind stelling genomen: `Beter weinig echte liefde dan veel liefde op verzoek. Aan de minimale eis van weinig echte liefde is in de regel voldaan. Men late het zo.' Zo niet Miller. Haar boekje, vooral de verminkte Nederlandse vertaling, is een boze klaagzang.

Alice Miller: Das Drama des begabten Kindes und sie Suche nach dem wahren Selbst. Suhrkamp, 176 blz. ƒ22,05