Transatlantische muntunie mag er niet pas over dertig jaar zijn

De VS en Europa zijn sinds lange tijd de drijvende krachten achter de liberalisatie van de internationale handel. Maar het zou ook zeer wenselijk zijn wanneer zij eenzelfde positieve rol zouden kunnen spelen op monetair gebied, vindt Hans Labohm.

Op 1 januari is de euro van start gegaan. Reeds bij de aanloop tot de invoering van de nieuwe Europese munt, werden de verwachtingen in tal van opzichten overtroffen. Zo hadden slechts weinigen het voor mogelijk gehouden dat de criteria van de EMU in zó'n korte tijd tot een zó grote economische convergentie tussen de EU-lidstaten zouden leiden. En niemand heeft voorzien dat `Europa', mede dankzij de komst van de euro, de negatieve effecten van de Aziatische crisis zó goed heeft kunnen opvangen en een ongekende mate van monetaire stabiliteit heeft weten te handhaven.

Bij de invoering van de euro werden de verwachtingen opnieuw overtroffen maar de euforie is inmiddeld wat weggeëbd. Was de euro aan het begin van het jaar nog 1 dollar 17 waard, medio maart was hij – tegen de algemene verwachting in – teruggezakt tot zo'n 1 dollar 9. Vóór de introductie van de euro had reeds een zekere golfbeweging in de verwachtingen plaatsgevonden. Aanvankelijk was de overheersende mening dat de euro zwak zou worden omdat de zogenoemde ClubMed-landen (Italië, Spanje en Portugal), die geen `stabiliteitscultuur' kenden wat betreft inflatie, begrotingstekorten en staatsschuld, ook tot de eurozone zouden toetreden. Vervolgens kreeg de opvatting de overhand dat de euro sterk zou worden doordat de vraag naar euro's in een betrekkelijk korte tijd zou toenemen, vooral als gevolg van de wens van internationale marktpartijen om hun portefeuilles te diversifiëren en te vullen met in euro luidende waardepapieren. De laatste tijd neigde men weer tot een zeker pessimisme als gevolg van het feit dat op langere termijn meer vertrouwen bestaat in de veerkracht van de Amerikaanse economie dan in die van de EU–landen.

Immers, de belangrijkste Europese landen, Duitsland en Frankrijk, voeren een economisch beleid dat misschien nog wel succes zou kunnen hebben in een gesloten economie, maar zeker niet tot hogere groei en een substantiële vermindering van de werkloosheid zal leiden in een open, geglobaliseerde wereldeconomie. De bezorgdheid richtte zich vooral op de opvattingen van de – onlangs afgetreden – Duitse minister van Financiën, Oskar Lafontaine, die op gespannen voet stonden met de beleidsvoorkeuren van de overweldigende meerderheid van Duitse economen, en die tevens een breuk betekenen met de Europese economische beleidsconsensus.

Lafontaine was onder meer voorstander van een beëindiging van een politiek gericht op de afslanking van de verzorgingsstaat en loonmatiging, verschillende vormen van arbeidstijdverkorting, minder accent op bezuinigingen bij de overheid ten einde die Krise nicht durch eine aktionistische Sparpolitik [zu] verschärfen, en van een betere benutting van `de speelruimte voor inflatieneutrale renteverlaging'. Hiermee waren de voorstellen van Lafontaine van Keynesiaanse signatuur. Het Duitse economische beleid verschilde daarmee tevens op een aantal punten belangrijk van zowel het beleid van de Fransen als de Britten.

Maar ook de Amerikaanse economie vertoont enkele fundamentele zwakke plekken. De besparingen zijn traditioneel zeer laag, terwijl het tekort op de lopende rekening uitzonderlijk hoog is. Voor dit jaar wordt een recordbedrag van 270 miljard dollar verwacht. Daarenboven heerst onzekerheid over de duurzaamheid van de beurshausse. Reeds in december 1996 vergeleek FED-voorzitter, Alan Greenspan het hoge koersniveau van Wall Street met een bubble die volgens hem het resultaat was van irrational exuberance. Een unieke uitspraak, die slechts twee precedenten had in deze eeuw: in 1929 en 1965. In beide gevallen volgde een aanzienlijke daling van de koersen. Toen Greenspan zijn verklaring aflegde stond de Dow Jones op een stand van 6.500. Ondanks zijn waarschuwing is de Dow Jones spectaculair gestegen. De index heeft inmiddels de 10.000 puntengrens overschreden. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de Europese beurzen. Vraag is echter of dit hoge niveau kan worden gehandhaafd. Zo niet, dan kan een substantiële daling van de beurskoersen negatieve effecten op de reële economie hebben.

In het licht van de onzekerheden die de toekomst in zich bergt, heeft de Amerikaanse econoom Randell Henning gepleit voor intensievere samenwerking tussen `Europa' en de VS op monetair gebied. Dit pleidooi was in lijn met de traditionele Amerikaanse politiek. Kissinger klaagde er destijds al over dat `Europa' geen telefoonnummer had, in de zin van één vaste gesprekspartner met voldoende gezag om beslissingen te nemen. Op de Europese Top van Wenen in december is aan deze wens in zoverre tegemoet gekomen dat de EU heeft besloten ervoor te zorgen dat `Europa' in het vervolg met één stem spreekt. Dat geldt bijvoorbeeld voor fora als de G–7 en het IMF. Bij nader inzien blijken dat echter drie stemmen te zijn: de voorzitter van de ECOFIN (waarin de ministers van Economische Zaken en Financiën zitting hebben), of indien dit een voorzitter is van een land dat niet tot de eurozone behoort, de voorzitter van de Euro–11 (een soort schaduw-ECOFIN voor de eurozone), bijgestaan door een vertegenwoordiger van de Europese Commissie. Daarnaast zal ook de president van de Europese Centrale Bank deelnemen.

Wat de G-7 betreft heeft dit voorstel aan Amerikaanse zijde een koel onthaal gekregen. De VS waren al van oordeel dat er te veel Europeanen in de G-7 rondlopen (Britten, Duitsers, Fransen, Italianen en de vertegenwoordigers van de Europese Commissie) en daar komen in deze opzet nog drie bij. Vandaar dat Henning pleit voor een beperking van het aantal deelnemers en de omvorming van de G-7 tot een G–3 (VS, Japan, EU). Dat zou de effectiviteit en vertrouwelijkheid van het overleg ten goede kunnen komen. Dit betekent overigens niet dat de G–7 zou moeten worden opgeheven; de agenda van de G–7 is veel breder dan de (monetaire) agenda van de G-3. Maar wèl dat de G-3 back-to-back met de G-7 zou vergaderen.

Als hierover al overeenstemming wordt bereikt, dan rijst de vraag wat die G-3 dan wel zou moeten doen. Alhoewel er geen verschil van mening bestaat over de wenselijkheid van een stabiele verhouding tussen de dollar en de euro, bestaat op dit moment noch aan Amerikaanse, noch aan Europese zijde steun voor de gedachte van de toepassing van doelzones, dat wil zeggen een relatief nauwe band waarbinnen beide valuta's vrijelijk mogen fluctueren. Zouden de grenzen van de doelzone worden overschreden dan zouden de centrale banken verplicht zijn in te grijpen. Men weet eenvoudig niet wat het `evenwichtsniveau' tussen beide valuta's is. En als men het al zou weten, twijfelt men aan de toereikendheid van de beschikbare instrumenten om dat niveau – binnen zekere marges – af te dwingen. Dus opnieuw de vraag waar een eventuele G-3 zich mee bezig zou moeten houden.

Bij de beantwoording van deze vraag dient te worden bedacht dat de mondiale monetaire verhoudingen door de komst van de euro fundamenteel zijn veranderd. Macht dient gepaard te gaan met verantwoordelijkheid; grotere macht met grotere verantwoordelijkheid. De introductie van een nieuw spel vergt een fundamentele bezinning op de spelregels en de wijze waarop het spel dient te worden gespeeld. Nieuwe verhoudingen vergen nieuwe institutionele voorzieningen. De Verenigde Staten en `Europa' zijn de belangrijkste partners en drijvende krachten achter de liberalisatie van de internationale handel. Het zou wenselijk zijn indien zij eenzelfde positieve rol zouden kunnen spelen op monetair gebied. De aanpassing van de institutionele voorzieningen door de vorming van een G-3 zou een eerste stap op deze weg kunnen zijn. Deze zou zich in eerste instantie met een intensivering van de gemeenschappelijke analyse van de monetaire ontwikkelingen bezig kunnen houden. Ook zou deze groep, naast de activiteiten van het IMF, in crisissituaties als in Azië, Mexico en Brazilië, een positieve rol kunnen spelen.

Voor de verdere toekomst dringt zich de parallel met de voorgeschiedenis van de EMU op. Deze heeft ook een lang geduurd. Reeds in 1970 besloten de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie op basis van het Plan-Werner, genoemd naar de toenmalige premier van Luxemburg, tot de oprichting van een economische en monetaire unie. Deze had in 1980 in werking moeten treden. Dat is toen om allerlei redenen (waaronder de oliecrisis met de daarmee samenhangende wisselkoersfluctuaties) niet gelukt. In plaats daarvan kwamen de slang en het EMS die met wisselend succes hebben gefunctioneerd. Thans, zo'n dertig jaar later, zijn deze inspanningen bekroond met de komst van de euro. In dit licht is het toch niet geheel ondenkbaar dat er over nog eens dertig jaar een transatlantische muntunie tot stand komt.

Drs. Hans H.J. Labohm is als gastonderzoeker verbonden aan het Instituut Clingendael.