Tempelhof

Ik moet wachten op het vliegveld Tempelhof, en het is alsof ik zestig jaar terugglijd in de tijd. Tempelhof is een kleine luchthaven en een groot museum ineen. Het is het meest letterlijke vliegveld dat ik ooit zag: vroeger was het een paradeterrein waar men vliegtuigjes liet landen, en zo ligt het er nog steeds bij, midden in de stad. Daarnaast is in 1934 een hypermodern stationsgebouw gezet, met zijn enorme halfronde luifel een van de weinige nog gave voorbeelden van nazi-architectuur.

Het ronde plein aan de voorzijde hoort erbij, en de voormalige ministeries maken er een mooi stukje theater van. Eerst is het: maak je klein, hier heerst de nieuwe orde, hup, omhoog die arm! Dan zijn er de deftige geluiden van de vliegveldhal, en daarna die imposante boog van gebouwen, het gebaar naar de rest van de wereld: hier komt het nieuwe Duitsland!

En nu zit ik in de wachtkamer boven, met haar bruinige intimiteit van de jaren dertig. Ik herken bijna alles uit krantenfoto's en filmfragmenten, lang geleden gezien: Hitler die onder de luifel uit zijn vliegtuig stapt, de juichende massa's op het platform, Göring op werkbezoek naar het oostfront, Alfred Speer die redt wat er te redden valt, dan de Amerikanen en de Berlijnse luchtbrug, het is hier allemaal gepasseerd. Dit is heel vreemd: ik ben hier nooit geweest, maar alles op deze plek staat gebrand in herinneringen die bijna de mijne zijn.

PS: In Riga werd ik misleid door de museumgids: het woord `parasha' – latrine – blijkt in moderne Russische woordenboeken wel degelijk voor te komen. Excuses.