Overal dingen

Komend weekeinde zijn 550 Nederlandse musea gratis of tegen gereduceerd tarief toegankelijk. Eigenlijk zou de leus moeten zijn: `Bezoek minstens drie musea op één dag'.

Een gele dragline verscholen in het bos bekijk je met andere ogen als je net hebt rondgedwaald in de beeldentuin van het Kröller-Müllermuseum. Die plotselinge belichting van andere, `gewone' voorwerpen is vaak een magisch en heilzaam effect van museumbezoek. Na de ontdekking: ,,Zo'n zandlopertje hebben we thuis ook!'' is dat zandlopertje thuis nooit meer helemaal hetzelfde. Dit `museumeffect' kan ook bestaan uit (tijdelijke) gevoeligheid voor rechte en schuine lijnen na bezoek aan een Mondriaantentoonstelling - of voor lichtval na een expositie van Johannes Vermeer.

De wereld is groot en vol van dingen. En slechts een deel ervan vinden we interessant. Aandacht is nu eenmaal niet alle dingen te geven. Hoeveel fraai gevormde kluiten lopen we niet achteloos voorbij? Het isolement van een voorwerp in een museum kan die aandacht voor het ding an sich wel oproepen. Die concentratie straalt soms uit naar andere voorwerpen die voorheen amper aandacht trokken.

Gelukkig wordt slechts een minieme fractie van cultuurproducten tot museumstuk verheven. En zelfs die fractie leidt al tot onoverzichtelijkheid. In Nederland zijn twaalfhonderd musea, ongeveer één per 25 vierkante kilometer. Samen goed voor 25 miljoen bezoeken per jaar (waarvan 8 miljoen door buitenlandse toeristen). De gids Nederland Museumland '99 somt ze allemaal op, in een bonte optocht van verrassingen. De grote musea kent iedereen wel: Rijksmuseum, Boijmans Van Beuningen, Openluchtmuseum, Anne Frankhuis. Maar wie kent het Droogdok Jan Blanken in Hellevoetsluis? Het Zandlopermuseum in Glanerbrug? Of het Prehistorisch Openluchtmuseum Eindhoven, Streekmuseum de Meestoof in Sint Annaland, het Pijpenkabinet in Amsterdam?

De meeste musea zijn gewoon toonzalen van min of meer samenhangende, vaak historisch getinte verzamelingen met wat begeleidende tekst. Echt druk is het er zelden, de bezoeker kan zijn eigen gang gaan en zijn eigen verbanden leggen. Dingen genoeg. Neem bijvoorbeeld de oogst van een recente museumexpeditie ten zuiden van Utrecht. In de Oudheidskamer Vreeswijk staat een oud duikerspak zoals Kuifje draagt in De schat van Scharlaken Rackham, en een vooroorlogse brandweerspuit, die ooit met veel moeite naar de eerste verdieping van het museumgebouwtje is gesjouwd. Een paar kilometer verderop, in het Stadmuseum IJsselstein, liggen een paar oude veldwachtersabels naast een inktstel van de burgemeester, en in het Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede zijn een paar negende-eeuwse bootshaken die we in een moderne variant óók in IJsselstein zagen.

Behalve de bovengenoemde drie kleine Zuid-Utrechtse musea doen komend weekeinde zo'n 550 musea mee met het 19de Nationale Museumweekeinde: van het Groninger Museum tot het Nationaal Asperge-Champignonmuseum in Melderslo (Limburg). Die deelname betekent dat ze gratis of tegen gereduceerde prijs toegankelijk zijn. De leuze is dit jaar: `Loop, fiets en ontdek iets'. In totaal zijn 130 fiets- en voettochten uitgezet (te bevragen bij deelnemende musea en VVV's).

Die nadruk op `ontdekken' is toepasselijk, met zoveel onbekende musea om de hoek. Maar het motto van het museumweekeind had ook kunnen zijn: `Bezoek minstens drie musea op één dag'. Want zo'n overmaat aan dingen zien, is op onze recente rondgang ten zuiden van Utrecht uitstekend bevallen. Wie nog twee musea te gaan heeft of er al een paar achter de rug heeft, heeft geen enkele moeite om de ergste fout van museumbezoek te vermijden: alles willen zien. Streven naar volledigheid leidt tot kijkdwang en automatische consumptie. Volg de eigen intuïtie en bekijk wat dus tòch al de aandacht trekt. Beter een paar dingen goed bekijken dan alles een beetje. (Ga dus ook gerust éérst kijken in het museumwinkeltje). En afwisseling is prettig. De drie lokaal-historische musea binnen amper twintig kilometer bleken totaal verschillend van sfeer. Het ene museum (Oudheidskamer Vreeswijk) lijkt nog het meest op een uitdragerij, het ander (Stadsmuseum IJsselstein) is helder en modern ingericht in een gerestaureerde oude school en het derde (Museum Dorestad) is gevestigd in een zo te zien oud, enigszins versleten woonhuis.

Museumbezoek is een relatief recent sociaal ritueel. De oudste openbaar toegankelijke musea stammen uit de achttiende eeuw: het British Museum in Londen (open in 1753), de Galleria Degli Uffizi in Florence (open in 1769) en Teylers Museum in Haarlem (open in 1784). Waarschijnlijk niet toevallig is dat ook de tijd waarin de modernisering en rationalisatie van het dagelijks leven begint – Max Webers `onttovering van de wereld' – èn de tijd waarin de dingen op heel veel gebieden opnieuw geordend en onderzocht worden: Lineaus' indeling van dieren en planten, de Encyclopédie van Diderot, de Encyclopedia Brittanica. Je zou kunnen zeggen: de musea waren nodig om aan geselecteerde voorwerpen een nieuwe symbolische betekenis te geven.

Natuurlijk waren er altijd al privé-verzamelingen van curiositeiten en `mooie dingen' geweest, maar die waren zelden zo groot als die van moderne musea. Zo werd er in het Babylon van de koningen Nebukadnessar en Nabonidus (zesde eeuw voor Christus) een verzameling oudheden bewaard, met zelfs een catalogus van oude inscripties. Ook middeleeuwse kerkschatten zijn te beschouwen als voorlopers van het museum, met hun openbare uitstallingen van heiligenrelikwieën, variërend van het boek waarmee Bonifatius in Dokkum de bijlslagen probeerde af te weren tot aan complete gebalsemde lichamen zoals dat van de heilige Clara van Assisi.

Pas in de laatste decennia is museumbezoek een vrij algemeen verschijnsel geworden. In 1950 werden per 100 inwoners gemiddeld 26 museumbezoeken afgelegd, in 1970 was dat getal 59 en nu ligt het rond de 150. Daar zitten natuurlijk veel heavy users onder, vooral in de kunstsector. Maar toch komt de helft van bevolking ieder jaar wel eens in een museum. Wat zoeken we daar? De meest gangbare motieven zijn tijdverdrijf en het verlangen iets op te steken. Ze vormen een wankele maar perfecte combinatie. Want een te grote nadruk op `amusement' leidt tot verpretparking, waardoor confrontatie met het onverwachte wordt vermeden en het eigen karakter van een museum ondergaat in vercommercialisering. De Efteling zal nooit een museum worden. Maar een tevéél aan uitleg en educatie leidt tot opdringerigheid. Dat kan gemakkelijk de doodsteek vormen voor het gevoel van vrijheid en ongebondenheid op zondagmiddag waar een museum het óók van moet hebben.

Wie het Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede bezoekt, kan in de kelder een diaprojectie bekijken. Onder begeleiding van Satie's pianomuziek word je er bijgepraat over de chronologie van het gebied en krijg je les in de verschillende archeologische technieken. In de zaaltjes spreken de voorwerpen min of meer voor zichzelf (maar vergeet niet een catalogusje mee te nemen bij de kassa, want alleen daarin worden de voorwerpen benoemd!).

De feitelijke informatie die je overhoudt aan een museumbezoek is meestal in een paar zinnen samen te vatten. Studeren op een onderwerp kun je vaak maar beter thuis doen met een boek, of in een bibliotheek. In een museum gaat het om de gevoelsmatige context en om een half onbewuste sfeerherinnering. Hoe dat oude duikerspak in Vreeswijk werkt, ik heb geen idee, evenmin als waar het ding nu eigenlijk vandaan komt. Maar dat doet er ook niet toe. Het gaat erom dat dat pak aanwezig is, als een betekenisvol overblijfsel van het rivierverleden van het door Nieuwegein opgeslokte Lekdorpje Vreeswijk. Wie zoals wij drie streekmusea op één middag bezoekt, voelt zich plotseling ondergedompeld in lokale geschiedenis, maar vraag me niet om die geschiedenis in mijn eigen woorden na te vertellen. Het blijft bij zoiets vaags als `beelddenken'. IJsselstein zal de komende tijd vooral beelden van rieten manden en steenfabrieken oproepen. Als ik denk aan Dorestad zie ik kades op het rivierstrand liggen, en een rechthoekig dobbelsteentje in een vitrine.

10 en 11 april, Nationaal Museumweekend `Loop, fiets en ontdek iets' . Informatie bij VVV's, musea, bibliotheken en Rabobanken. En bij de stichting Museumjaarkaart: 020-6701112

Gids Nederland Museumland '99 ƒ16,50, verkrijgbaar bij oa de VVV's.