Lichaam van een golfer beheerst de hele klok

Golf is niet aan leeftijd gebonden. Iedereen die een stok kan vasthouden, mag op les. Verslag van een intensieve cursus in Spanje.

ONZE LERAAR heet Fernando Vega Cabeza. Hij is één van de professionals – bevoegde leraar – van de Atalaya Golf & Country Club aan de Costa del Sol in Spanje. Tot zijn zeventiende bestond zijn leven uit karate en andere vechtsporten. Zijn lichaam is nog steeds van elastiek. Als rekoefening moeten wij iedere morgen met gestrekte benen onze handen naar de grond brengen – Fernando raakt met zijn neuspuntje gemakkelijk zijn knieën. Waarom is hij gaan golfen?

,,We verhuisden naar de kust van Zuid-Spanje en daar zat niemand op karate. We woonden vlakbij een golfbaan en om wat bij te verdienen ging ik ballen rapen en later als caddie met de spelers mee'', aldus de 38-jarige Fernando, die nu al weer bijna twintig jaar golft en lesgeeft aan beginners en gevorderden. Toen hij nog geen lesgaf en trainde om pro te worden, oefende hij zes uur per dag, zes dagen per week.

Volgens Fernando is een vechtsport de ideale voorbereiding voor golfsucces. Dat geldt lang niet voor alle sporten. Als tennissers bijvoorbeeld golfen, gaat dat ten koste van hun tennisslag. De speler haalt de kracht waarmee hij de bal slaat, vooral uit één arm. In zijn golfslag zal dat effect waarneembaar zijn. Sporten die wel een gunstige invloed hebben op het golfspel zijn voetbal (balinzicht en sterke benen), hockey (balinzicht en kracht verdeeld over beide armen), windsurfen (balans en sterke armen), paardrijden (sterke benen en goede houding bovenlichaam) en verscheidene krachtsporten. Los van deze leerscholen, is iedereen die een stok kan vasthouden in staat om te leren golven.

De eerste les is een concentratieslag. Nog nooit heb ik in zo'n korte tijd, zo veel kennis, vaardigheid en inspanning over me uitgestort gekregen. Om het te kunnen volgen wordt een topprestatie verwacht. De klap komt aan. In de eerste les denk ik aan niets anders meer dan de club, de grip, de positie van het lichaam ten opzichte van de bal en de slagbeweging. Vanaf de oefenmat op de driving range (open veld) mogen we slaan – eerst zonder bal om de swing te oefenen. Je moet de bal raken maar vlak daarvoor ook het gras. Als je het gras niet raakt, zegt Fernando streng: It's a pity, you donut hit the grazz. (Op de baan vliegen de plaggen soms door de lucht. Dat is op zichzelf niet erg. De etiquette schrijft voor dat het stukje gras weer op zijn plaats moet worden gelegd en dat met zachte voet de grond moet worden geëgaliseerd.) Dan krijgen we ieder ons eigen emmertje met wel vijftig ballen. Met een ijzer-8 lange slagen meppen in de wei. Ons doel is een appartementencomplex in aanbouw. Ik had me een mooier uitzicht voorgesteld, maar de lelijke architectuur trekt de ballen aan. Daar gaan ze, zes uur per dag, zes dagen per week.

Beginnersgeluk duurt meestal maar een dag. Met Fernando als golfleraar duurt dat geluk voort. Hij is zó serieus en zó positief dat ons groepje van vier snel leert. Hij prijst ons de hemel in: I èave special groupe, roept hij tegen zijn collega's op de baan. Dan moet je wel: club, grip, bal en lichaam. Gedachteloos slaan is er niet meer bij. De prof staat er zo dicht op dat hij precies ziet wat je niet goed doet. Fernando duwt het lichaam in de juiste stand en laat de swing letterlijk voelen.

We krijgen les over de verschillende clubs, de golfstokken. We beginnen met een ijzer-8. Aan het einde van de tweede dag, waarop we ook de korte slag hebben geoefend met de sandwedge, begeeft het lichaam het. Nog nooit voelde ik zo veel pijn in handen, armen, benen, zij, rug en schouders. Hopelijk zijn het de goede spieren, anders is het lichaam al aardig op zijn retour.

Als tegenprestatie of ter ontspanning ga ik de hele avond zwemmen. De spieren moeten hun functie hervinden, anders heb ik morgen een dubbelzware dag; mijn ervaring is namelijk dat op de derde dag sowieso niets meer lukt. Dit derde-dagsyndroom verstoorde al menige skivakantie. Maar omdat het lichaam vóór de derde dag protesteert, hoop ik dat het syndroom vervliegt. Op een korte cursus zou dat wel zo aangenaam zijn. Daarbij komt dat Fernando die dag gaat filmen; alles wordt vastgelegd en naar het resultaat kijken we pas op donderdag.

De derde dag valt mee. Geen pijn en ook geen angsten. We staan weer te zwaaien in onze denkbeeldige klok. De lengte van de op- en neerzwaai hangt af van de afstand die men wil bereiken. Het hoofd staat op 12 uur, de voeten en de bal op ongeveer half zes. Een zwaai van 5 tot 7 uur geeft de bal een afstand van ongeveer vijftien meter. De lange slag beslaat de hele wijzerplaat: van 12u10 tot 11u50. Dan zou de bal in mijn geval ongeveer honderd meter afleggen (met een ijzer-7). Niet te veel denken, anders sla je de bal te laat of te vroeg.

Dan ben ik aan de beurt. De camera loopt. Drie ballen moeten we slaan. De positie van de club en het lichaam, de grip en de bal beheersen mijn gedachten: wat zou het heerlijk zijn als ik met een vloeiende lichaamsbeweging de bal richting horizon speel. De zwijgende prof met zijn camera brengt mij uit mijn concentratie: ik raak het gras, maar niet de bal. De volgende bal ligt klaar, iedereen zwijgt en kijkt gespannen. Ik vertrouw op mezelf en schiet bal twee en drie op mijn gevoel de hemel in. De camera verplaatst zich. De slagen worden ook vanachter gefilmd. Ik verlies mijn evenwicht, dacht te veel na over het gelijk te verdelen gewicht over beide benen. Fernando knikt me bemoedigend toe. Oefenen, oefenen, oefenen. Zes uur per dag, zes dagen per week.

Fernando draait de rollen om. Hij is de leerling en wij de leraar. Wij wijzen hem op zijn swing: het lichaam te veel naar voren. Ghood'teacher, lacht hij ons toe. Veel fouten ontdek ik niet – het zijn nog steeds prachtige slagen en het lichaam beheerst de hele klok. Op de vierde dag zitten we in het leslokaaltje van de golfschool. De video's worden bekeken en Fernando zet om de paar seconden het beeld stil. Ik hou mijn adem in, maar de band spoelt over mijn gemiste bal en zoemt in op mijn grip. Daar is gelukkig niets mis mee. Ik haal opgelucht adem. Beginners hebben het bij alle sporten zwaar.

We herhalen alles nog eens vanaf het begin en begeven ons deze vierde dag naar een oefenbaan. Hoe dichter je bij de hole komt, des te minder het gaat om de swing. De slagen naar de green hebben niet de afstand, maar de richting als hoofddoel. De beweging is nieuw, het gewicht wordt anders over de benen verdeeld en de swing is kort en beheerst. Zeg maar van 8 tot 4 uur. Op de green, het laatste gedeelte van de baan dat speciaal is geprepareerd voor het putten, oefenen we weer een nieuwe techniek. De grip is anders: de handen moeten lager op de steel. Ik vind dit gedeelte van het golven het meest lijken op midgetgolf, maar durf dat niet hardop te zeggen uit vrees de leraar te beledigen. Ik put alle ballen in de hole en ben mijn ouders nog dankbaar dat we vroeger op zondag gingen midgetgolfen bij De Bataaf in Den Haag.

Op de laatste dag van de cursus gaan we spelen op de echte golfcourse van Atalaya. Fernando wacht ons op en geeft ons allemaal een eigen golftas op een karretje. Het is stralend weer en er zijn nog maar weinig mensen op de baan. Bij het afslaan op de eerste hole pak ik de hout-3 (met de driver hebben we niet geoefend), druk de tee met bal en al in de grond en wind mijn hele lichaam op. Alles staat en voelt goed: de club, mijn handen, de bal en het lichaam. Nog één keer kijken naar de vlag, ik aai niet met mijn club over het gras – wat gebruikelijk is bij wijze van droge oefenswing – want mijn eerste schot is vaak het beste. Wat zou het heerlijk zijn als ik met een vloeiende lichaamsbeweging de bal richting horizon speel. Heel langzaam haal ik uit, denk nergens meer aan, en raak de bal vol in zijn gezicht. Ik ben verkocht, een Spaanse leraar applaudisseert oprecht voor mijn afslag.