Kloven in het onderwijs

DE RECTOR van een grote scholengemeenschap in een achterstandswijk van Utrecht waar ruim driekwart van de nieuwe leerlingen geen Nederlandse ouder(s) heeft, moet de frontlinie van het onderwijs verlaten. Volgens het schoolbestuur is het beter voor de public relations van het Niels Stensen College als rector Sjamaar de weg vrijmaakt voor een nieuwe rector en een nieuw begin. De oude schoolleider zelf zou daartoe niet meer in staat zijn, nadat hij bijna een jaar geleden de noodklok heeft geluid over toenemende segregatie van het onderwijs en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit.

Een nieuwe lente, een nieuw geluid in Utrecht? Allerminst. De wijze waarop Sjamaar op de valreep is weggewerkt, getuigt juist van een winterse benadering. De vermaledijde rector zei vorig jaar dat zogeheten `zwarte scholen', die niet meer in staat zijn een serieuze Havo/VWO-opleiding te verzorgen, beter kunnen worden opgeheven omdat ze de neerwaartse spiraal alleen maar versnellen.

Dat was een onaangename conclusie, die bovendien in een onaangename vorm was gegoten. Bestuurders en politici reageerden dan ook onmiddellijk als Pavlov-honden. Sommigen noemden Sjamaar `cynisch' en `gevaarlijk', anderen verweten hem een `nederlagenstrategie'. En het ministerie van Onderwijs vroeg om geduld en vertrouwen, omdat integratie nu eenmaal per definitie tijd kost.

HET TEMPO waarmee Sjamaar werd weggezet als een vermoeide rector, maakt zijn waarnemingen echter nog niet onjuist. Over de hele linie van het onderwijs dreigt namelijk een ingrijpende segregatie. De vrijheid van onderwijs, zoals verankerd in artikel 23 van de grondwet, maakt haar zelfs makkelijk en mogelijk. Ouders hebben nu eenmaal de neiging hun kinderen het beste onderwijs te gunnen, ongeacht hun eigen wereldbeeld. Ouders plegen hun kinderen dus naar scholen te sturen waar ze zich kunnen ontwikkelen en tegelijkertijd kansen krijgen voor het leven na de opleiding. Ouders laten hun oren dus niet hangen naar bestuurders en bewindslieden die, al dan niet in het kader van de eindeloze experimenten die over hun hoofden worden uitgestort, aandringen op enig geduld. En omdat de onderwijsvrijheid constitutioneel vastligt, kunnen ze dus kiezen tussen allerlei soort scholen voor hun kinderen.

Maar het overheidsbeleid negeert de gevolgen hiervan bij voorkeur. De grondwet staat niet ter discussie. Dat alleen al is een stimulans voor segregatie. En intussen krijgt het onderwijs ook nog eens de opdracht om zijn leerlingen en ouders te zien als marktpartijen, wier vraag door aanbod moet worden bevredigd. Scholen moeten daarom reclame maken. Toegeven dat de leerlingenpopulatie te eenzijdig is en dat het niveau daarom daalt, is dan ook het laatste dat de schoolleiding zal doen. Maar de eersten die de waarheid doorgronden, zijn de kinderen zelf en hun ouders. De goede autochtone én allochtone leerlingen vertrekken en de minder goede voelen zich verlaten. De leraren, gefrustreerd en onbevredigd, kiezen vervolgens ook eieren voor hun geld.

OPHEFFEN van zulke scholen is wellicht niet dé oplossing. Het kan organisatorische chaos veroorzaken en schuift het probleem zodoende op de lange baan. Maar dat neemt niet weg dat Sjamaar met zijn cri de coeur een diagnose heeft gesteld die gehoord moet worden. De kloof tussen goed en slecht onderwijs neemt toe. De onderwijzers en leraren die manmoedig proberen de gaten te dichten, dreigen geïsoleerde frontsoldaten te worden. De tijd om rustig te gaan slapen is zo langzamerhand voorbij.