Dit gedicht, uit de cyclus Sterrenwerelden van ...

Dit gedicht, uit de cyclus Sterrenwerelden van Hendrik de Vries, is de volslagen gekte. Je kent de naam van de dichter, anders zou je van de man die het had geschreven denken: die moet ik op straat niet tegenkomen. Er zullen vast mensen bestaan die bij dit soort gedichten zweren. Nu, die zijn nog gekker dan volslagen gek.

De poëzie van Hendrik de Vries is wel eens gerangschikt onder het tabblad expressionistisch. Dan lijkt dit nog het meest op de expressie van een mataglappe scheepstoeter.

Gebroken pluimplantknoesten, daar begint het mee. De kat krabt de krullen van de trap. Drie dikke rollen drop. Flip Vorrink vreet vet vlees. Je tong ligt meteen in de knoop.

Geen wonder dat Hendrik de Vries achter dat pluimplantknoesten een gedachtestreep zet. Je hebt al je gedachten nodig om je tong uit de knoop te halen.

Zonder gekheid: een woordorgie is het.

Het land ontmergen, de bergen besterren, met raspen sporen, zich als kranken schragen, zo steek je nog eens wat op. De vergeten woorden zijn er: wanken, knerpen. De antieke dictie is er: heemlen, meir. Er staan woorden tussen die helemaal niet lijken te bestaan. Wat zijn sabelbossen, vooral als ze ook nog blanken? Er figureren ronduit wellustige alliteraties: vlammenvlag, de kam der kim, kwarts en kiezel, wollen wormen, spiralen scherpen. Dan de binnenrijmen! Pluimplantknoesten, roesten. Vuurvliegkringen, dringen. Wanken, sprankelen, flanken, blanken en – twee strofen verderop – nog eens kranken en banken. Schragend, weeklagend. Ietwat uitdagend rijmt voortschuift op koord wuift. Bij zulk uitbundig gerijm werkt het toch nog bevreemdend dat de eindrijmen dringen, kolven, werpen wel corresponderende binnenrijmen kennen – vuurvliegkringen, bedolven, scherpen en knerpen – maar geen parende regels. Het was je door de herhalingen nauwelijks opgevallen. Letterlijke herhalingen ook – snavels, snavelspitsen – en een raadselachtige verdubbeling in dubble dag en dubbelpunt.

't Kolderiekst en tegelijk meest indrukwekkend zijn de drietrapsraketten, de conglomeraties van drie begrippen. Alfabetisch onder elkaar vormen ze bijna weer een gedicht –

aanvangsbulderingen

pluimplantknoesten

roofdierwoesten

schuimrandbaren

sneeuwgoudbloei

vuurvliegkringen

Hendrik de Vries moet hebben genoten van het woordenboek dat A. de Jager in 1847 publiceerde, met al de neologismen en in ere herstelde archaïsmen uit de gedichten van Bilderdijk. Tweehonderdvijftig bladzijden vol vergeten woorden en eigen brouwsels. Veel drietrapsraketten staan er bij –

aardklompzonen

kwijlkwabzaad

nachtuilknappen

roerdompschreien

sneeuwbergkuilen

vuurstroomvloeden

– ik citeer er maar een paar uit een lijst van negentien bladzijden. Ik vraag me af of Hendrik de Vries die lijst heeft gekend. 't Moet haast wel, gezien zijn ontzaglijke eerbied voor Bilderdijk. Hij noemde Bilderdijk `tegelijk een overgevoelig, haast onvergelijkelijk ontwikkeld cultuurmens, én een primitief-bezetene, vol machtwellust en erotische razernij.' Scheepstoeters – pardon, heidense bacchanten herkennen elkaar. Lees het gedicht Eierkoken van Bilderdijk –

Daar wiegele in de plas het scheppings-al van 't kuiken,

Dat in zijn zilvren lucht een gouden aardbol sluit;

En 't beuk' de krijtaardschors dier breekbre wareldkruiken

– en je denkt, verdomd, dat is Hendrik de Vries.

Je kan het gedicht ook komisch opvatten. De zin met de `ballen, die van alle kanten zich met hun snavels knippend in de hoogte werpen' helpt daar zeker bij. Ballen die vervolgens `op hun snavelspitsen bij hun val zich planten'. Als darts op het dartbord van de stollende krijtaardschors. Poing! Je ziet het voor je.

Het algehele beeld is dat van barenspijnen, eierkoken, oersoep. Eerder kosmisch dan komisch. Maar het beeld valt in het niet bij de klank.

Wat is nu zo fascinerend aan dit gedicht? Dat het je op een of andere manier het idee geeft dat je met taal nog heel andere dingen kunt doen dan dichters doorgaans doen. Dat er paden zijn die nog maar half zijn ingeslagen, door hier en daar een zonderling. Dat er dus ook nog onbenutte mogelijkheden moeten zijn. Onbekende verschieten. Waar?