Tim Robbins

In een reeks profielen van eigentijdse sterren deze week Tim Robbins, politiek geëngageerd acteur, regisseur, producent en scenarioschrijver, die zich specialiseert in rollen van schijnbaar onnozele types.

Wie hoofdrollen in megaflops als Erik the Viking en Howard the Duck vroeg in zijn carrière overleeft en vervolgens uitgroeit tot een algemeen gerespecteerd acteur, regisseur, scenarioschrijver en producent, kan niet zo onnozel zijn als hij eruit ziet. Hollywood is niet dol op Tim Robbins (West Covina, Californië, 16 oktober 1958), al was het maar omdat hij samen met zijn vrouw Susan Sarandon zelfs tijdens een Oscargala van politiek engagement getuigt, maar vergeeft hem veel. Alleen al de rol van een perfide Hollywoodproducent in Robert Altmans satire The Player (1992), die Robbins de prijs voor beste acteur in Cannes bezorgde, maakte dat zijn collega's hem af en toe toch op handen dragen.

Links was Robbins reeds tijdens zijn studie aan de UCLA, waar hij direct na een acteeropleiding een door het Europese avant-gardetheater geïnspireerd gezelschap oprichtte, The Actors Gang. Zijn vroege rollen, in genrefilms als Toy Soldiers (1984) en Top Gun (1986), deden anders vermoeden, maar sinds de hoofdrol in de baseballfilm Bull Durham (1988) specialiseert Robbins zich in sluwe vossen met een schaapachtig voorkomen. De schijnbaar brave buurman in Arlington Road (1999) is een goed voorbeeld, maar er zijn er veel meer: de tot stroman-directeur benoemde jongen uit de postkamer in The Hudsucker Proxy (Joel Coen, 1994), de motoragent in Short Cuts (Altman, 1993) en de sportjournalist die modeverslaggeefster Julia Roberts aan de haak slaat in Prêt-à-porter (Altman, 1994).

In de twee films die Robbins tot nu toe zelf schreef en regisseerde, komt zijn politieke agenda het duidelijkst naar voren. Hij kwam niet voor de camera in Dead Man Walking (1995), een met een Oscarnominatie voor zijn regie beloond pleidooi tegen de doodstraf. Robbins' regiedebuut Bob Roberts (1992) daarentegen laat precies zien wat zijn sterke kant als acteur is: het vorm geven aan gevaarlijk onopvallende populisten met een ultra-rechtse inslag. Niemand anders dan Robbins had de tot presidentskandidaat gepromoveerde folksinger Bob Roberts, een vilein geschreven personage, zo precies gestalte kunnen geven.

Eind van dit jaar wordt Robbins' derde en meest ambitieuze film verwacht, The Cradle Will Rock, waarin hij de opvoering in 1937 door Orson Welles van een anti-kapitalistische opera reconstrueert. De verschijning van gewapende ordetroepen op Broadway om een marxistische kunstuiting te verhinderen lijkt niet het meest geëigende onderwerp voor een dure Disney-productie, maar Robbins krijgt het op de een of andere manier voor elkaar om succesvol tegen de stroom op te roeien. Een paar jaar geleden belandde hij tot zijn eigen verbazing op de 60ste plaats van een overzicht van de honderd grootste filmsterren aller tijden. Dat leek geen bekroning van een charismatische persoonlijkheid als acteur, maar eerder van een uiterst schrandere en oorspronkelijke verschijning in een omgeving waar intelligentie doorgaans lage prioriteit geniet.