Kwade krachten

In Madagascar wordt de waarde van scholing door velen in twijfel getrokken. Hoog opgeleiden zijn daar vaak slecht af. In Toliara, een stad in het zuidwesten van Madagascar, leiden twee oudere mannen ieder hun eigen bedrijf. Dit blijkt voor Victor, die de universiteit heeft doorlopen, veel moeilijker dan voor Sonjona, die analfabeet is.

Met stijgende verbazing volgt Victor de pen die rijtjes cijfers op het papier tovert. Daarnet knikte hij nog tevreden bij het idee om met het bewerken van drie gepachte hectaren rijstveld 4,5 miljoen Madagascarese franken (± 1500 gulden) te verdienen. Nu blijkt dat hij met hetzelfde werk, maar met een iets andere financiële aanpak, zijn verdiensten kan verdubbelen. In de toekomst zal hij één hectare in loondienst bewerken waardoor hij voldoende geld overhoudt om de pachtsom van de resterende twee hectaren vooraf te kunnen betalen. En dat is beduidend minder dan achteraf 50 procent van zijn oogst te moeten afstaan. Victor weet dat hij de berekening zelf had kunnen maken, hij behoort immers tot de hoogst opgeleiden van Madagascar, maar vandaag realiseert hij zich voor het eerst dat het maken van dergelijke berekeningen mogelijk is.

In het begin van de jaren '60 voorzag Victors vader, Raymond Velontsoa, geen toekomst meer voor al zijn zonen in de landbouw. Vrijwel alle beschikbare grond was al in gebruik genomen en er waren, ook toen al, beduidend meer kinderen dan volwassenen die deze grond in de toekomst zouden moeten delen. Daarom besloot hij om zijn zoon Victor naar school te sturen, in de hoop dat hij met denken zijn geld zou kunnen verdienen. Aangezien dit recht inging tegen de tradities van zijn volk was het belangrijk om aan `Zanahary', de Madagascarese eenheid van goden, duidelijk te maken dat dit besluit niet uit vrije wil maar uit noodzaak was genomen. Omdat Raymond er niet geheel van overtuigd was dat de goden zich dit door de jaren heen zouden blijven herinneren, bracht hij telkens als Victor een proefwerk of examen moest doen een klein offer aan `Zanahary' om zijn toorn af te wenden.

Afgezien van een aantal jaren waarin er geen geld was voor de opleiding van Victor voorliep zijn scholing voorspoedig, in 1988 uitmondend in zijn kandidaats geschiedenis. Geheel tegen de verwachting in, bleek het onmogelijk om als geschiedkundige werk te vinden. Zelfs niet als leraar of ambtenaar. Het werd een fikse teleurstelling, en uiteindelijk begon Victor als wegwerker in Toliara. Het feit dat hij kan lezen en schrijven lijkt onbelangrijk. In een maatschappij waar 60 tot 70 procent van de bevolking analfabeet is, wordt nu eenmaal weinig op schrift gesteld.

Als Victor, in perfect Frans, zijn eigen geschiedenis vertelt klinkt de liefde voor de wetenschap en zijn studie helder door. Tegelijkertijd is zijn opleiding de oorzaak van een enorme kennisachterstand in vergelijking tot zijn broers en leeftijdsgenoten. Net als zijn vader vroeger deed, verbouwt hij nu rijst. Maar hij moet zich het zaaien, oogsten en mennen van zijn lastdieren bij het ploegen nog helemaal eigen maken. Bovendien heeft hij, op 42-jarige leeftijd, nog steeds geen eigen kapitaal achter de hand.

Sonjona is net zo intelligent en vrijwel even grijs als Victor. Of ze even oud zijn is niet te zeggen, want hoewel Victor alleen weet in welk jaar hij geboren is, ontbreekt bij Sonjana ook die informatie. Bovendien zijn cijfers voor iemand die niet lezen, schrijven of rekenen kan vanzelf een stuk minder belangrijk. Zittend op het stoepje voor zijn uit golfplaten opgetrokken woning wiegt Sonjona zachtjes zijn jongste zoontje heen en weer. Onder zijn bijna pikzwarte huid dansen de scherp afgegrensde spieren in zijn onderarmen hetzelfde ritme. Aan zijn atletische gestalte is te zien dat hij al jaren de `pousse-pousse' (Madagascarese riksja) trekt. Hier heeft hij goed van kunnen leven. Terwijl hij loom zijn ogen dichtknijpt tegen de felle zon legt hij uit dat zijn opa een groot veehouder was totdat een andere man verliefd werd op zijn oma en de `aody ratsy' (kwade krachten) vroeg om zijn opa ten gronde te richtten. Dat werkte. In een paar jaar ging de volledige kudde er aan en toen is zijn vader, net als hijzelf later, gaan werken met de riksja.

Liever nog dan dat hij spaart voor reparaties aan zijn eigen pousse-pousse of de aanschaf van een tweede, die hij aan iemand zou kunnen verhuren, investeert Sonjona het merendeel van zijn geld in zijn kudde zeboes die hij heeft ondergebracht bij familie op het platteland. Jaren geleden, toen zijn eerste (nu volwassen) dochter nog klein was, had hij geld verdiend bij een Indiër. Hiervan kocht hij een eigen pousse-pousse. Dat was niet slim, want toen zijn vader overleed moest hij, aangezien hij verder niets bezat, zijn aanwinst met verlies verkopen om voor de begrafenis een offerdier te kunnen kopen.

Het is dus beter om een kudde op te bouwen dan een eigen riksja te bezitten want ook een `bilo', `lulu' of `trumba' – vormen van ziekte of bezetenheid waarbij je genoodzaakt bent om een zeboe van een bepaalde kleur, leeftijd en geslacht te offeren – kan je altijd overkomen. Sonjona heeft van zijn vader alle `fady' (regels en verboden) geleerd die je moet volgen om een kudde op termijn zo hard mogelijk te laten groeien. Zowel de leeftijd, sekse als kleur en hoorns van de dieren spelen hierbij een rol. Tevens probeert hij het risico voor diefstal of fatale ziekten zo klein mogelijk te houden door zijn dieren in verschillende kudden onder te brengen.

Als Victor, die tussen Sonjona en de verslaggever als tolk fungeert, opmerkt dat een bankrekening nog veel veiliger is, begint Sonjona hoofdschuddend te lachen. ,,Een bankrekening kan niemand zien. De kudde geeft mij en mijn familie aanzien. Bovendien is het een rendabele investering want de natuurlijke groei van de kudde levert aanzienlijk meer op dan de rente op een spaarrekening. Overigens moet je dan betalen om het geld weer terug te krijgen.''

Hij blijkt goed geïnformeerd. Bij de ook in Madagascar opererende Franse bank Crédit Lyonnais moet je niet alleen betalen voor elke cheque waarmee je geld opneemt, maar tevens betaal je elke drie maanden `frais de tenue de compte' voor het aanhouden van de rekening.

Sonjona's economische bedrijfsvoering is goed doordacht en gekoppeld aan de werkelijkheid van de snel veranderende Madagascarese offercultuur. Daarbij fungeert zijn kudde als bank en ziekte- en overlijdensverzekering. Door de kudde kan hij, zodra hij een offerdier nodig heeft meestal direct een beest van de juiste kleur en leeftijd aanbieden. Dat is het belangrijkste voor hem en ook het beste voor het bedrijf. Hij werkt niet om rijk te worden en spaart niet voor onderhoud of afschrijvingen, maar om zijn maatschappelijke verplichtingen te kunnen vervullen.

Ook Victor blijkt een soort van ziekte- en overlijdensverzekering te hebben. Aan de oostkust bij Toamasina, de grootste haven van Madagascar, heeft hij een stukje grond waar kruidnagelbomen staan. Zijn vader heeft dat ooit aan hem geschonken, maar het wordt door zijn familie uitgebaat. Daardoor heeft hij vrijwel geen economische verplichtingen jegens hen in geval van malheur. Dat is maar goed ook. Want hij heeft nog nooit over enig eigen geld kunnen beschikken. Victor leeft in armoede en kan nauwelijks het schoolgeld voor zijn drie kinderen betalen.

Gelukkig wist hij vorig jaar, dankzij zijn perfecte Frans, een kleine betaalbare lening te veroveren via een Europese ontwikkelingswerker. Hiervan heeft hij twee `konda's' (gedresseerde zeboes) en een ploeg gekocht. Daarna heeft hij leren ploegen, zaaien, oogsten en alles afgekeken van de boeren om hem heen. Nu wil hij niet alleen zijn lening terugbetalen, maar ook zijn bedrijf laten groeien. Dat blijkt een stuk lastiger. Na een jaar tast hij volkomen in het duister. Is zijn bedrijf wel succesvol? Hij denkt van wel. Maar door zijn geringe ervaring weet hij niet precies waar hij naar moet kijken. En hoe leg je dat uit?

Toen hij de resultaten op papier probeerde te zetten voor de geldschieter volstond hij uiteindelijk maar met een mooi nieuw plan voor volgend jaar. Daarop schreef hij: ,,Ik denk dat ik behoefte heb aan informatie'', zonder zelf precies te begrijpen wat hij daarmee bedoelde.

Victors financier reageerde met een bezoek en legde hem uit dat er zoiets bestaat als handelsrekenen en bedrijfsboekhouding. Dit was nieuws voor Victor. Uiteindelijk ontdekte hij dat deze vakken in Madagascar tot op de dag van vandaag alleen onderwezen worden op speciale technische scholen. Toen zij samen in twee dagen de volledige boekhouding van het afgelopen jaar en een plan voor het komend jaar opzetten en doorrekenden, had Victor het gevoel dat hij ingewijd werd in de wonderbaarlijke kennis van de rijken. Opeens stond op papier dat hij redelijk geboerd heeft, wat zijn doel is voor volgend jaar, hoeveel hij moet sparen en aan zichzelf mag betalen en hoeveel er over blijft om volgend jaar te kunnen investeren.

Nu snapte hij dat door dit `rekenwonder' de commerciële bedrijven van Chinezen, Europeanen en Indiërs in Madagascar doorgaans beter lopen en groter worden dan die van de Malagasiërs.

Een Malagasiër associeert, volgens Victor, alleen zijn kudde of zijn zweet met geld verdienen. Hij komt niet op het idee om rustig onder een palmboom te gaan zitten rekenen. ,,Kijk maar naar Sonjona'', zegt hij, ,,hij stuurt zijn kinderen niet naar school, al kan hij het schoolgeld wel betalen.'' Scholing die niet toepasbaar is of onvolledig blijkt gevaarlijke keerzijden te hebben, want volgens Sonjona blijkt wel uit de vele levensgeschiedenissen die hij kent en vergelijkbaar zijn met die van Victor dat leren lezen, schrijven en rekenen geen zin heeft.

Bovendien heeft Sonjana de waarden van zijn bedrijf in zijn hart zitten en kan zonder enige notitie of berekening in Madagascarese franken nauwgezet de economische lijnen van zijn bestaan uiteenzetten. Voor hem zijn cijfers nog steeds even onbelangrijk als toen hij geboren werd.

Tegelijkertijd is rekenen voor Victor de redding. Hij kan, uit gebrek aan ervaring, alleen door rekenen en boekhouden inzicht krijgen in zijn bedrijf. Daardoor wordt hij geconfronteerd met een voor hem en zijn collega's volkomen nieuw verschijnsel. Namelijk dat hij niet alleen met zijn kudde, of zijn spieren het bedrijf kan laten groeien maar vooral door goed te rekenen. Derhalve blijken de economische kennis van de boeren en veehouders als Sonjona en de kennis van het handelsrekenen in Madagascar twee losse uiteinden die elkaar nog lang niet gevonden hebben.