Kippenvel, koude rillingen en tranen voor San Marco

Dertig jaar na de eerste van vele gewonnen Europese finales liet Johan Cruijff zich samen met alle Ajacieden van toen bewonderen in de Arena. Een afscheidsbal met de twee beste Ajax-spelers als droompaar. Cruijff en Van Basten vormden voor één keer een ideale combinatie.

Zou hij wel, zou hij niet? Nog meer dan de vraag hoe Johan Cruijff zou spelen, of Piet Keizer, of Wim Suurbier, Ruud Krol en Heinz Stuy, gonsde de vraag door ons hoofd of Marco van Basten zou meedoen. Cruijff en Van Basten in hetzelfde elftal, dat zou mooi zijn. Nee, laten we er niet aan denken. Het is om gek van te worden. Laten we er maar van blijven dromen.

Laten we dromen van een dubbele een-twee tussen Johan en Marco, een lob van Johan en een stift van Marco. Gewoon de ogen sluiten en hopen dat beelden zich herhalen, beelden van toen, samen met het gevoel van toen en het genot van toen. Ons hoofd zou bijna uiteenspatten van vreugde en bewondering. Zo mooi zou voetbal in het echt nooit kunnen zijn. Niet in de Arena, niet in San Siro, niet in Camp Nou, nergens.

We waren al gewend aan de buiken, kale hoofden en grijze haren van andere, mindere goden en we hadden al vrede met hun door ouderdom afgetakelde motoriek. We hadden begrepen dat Keizer de dubbele schaar niet meer uit zijn 55-jaar oude benen kon toveren en dat voor Swart met zijn 60 jaar een sprint van tien meter te veel was. Cruijff zwaaide en wees, praatte en schreeuwde, schoof de bal met buitenkant voet naar plaatsen die niemand had kunnen bedenken. Dat wisten we al, Cruijff verandert niet, al wordt hij honderd.

De bewondering had plaatsgemaakt voor gewenning toen het wonder van de Arena zich gisteravond openbaarde. Daar stond hij aan de zijlijn, klaar om in te vallen, nog even lang, zijn benen wat dikker, 34 jaar al weer, maar nog wel met nummer 9 op zijn rug. Er ging een golf van blijdschap door het stadion. Kippenvel, koude rillingen, trillende handen, bevende knieën, opkomende tranen – alles wat we aan voetbalemotie in ons lijf hebben werd geprikkeld. Van Basten was er ook, gelukkig. Maar wat kon hij nog, sinds hij zes jaar geleden met een kapot enkelgewricht uit het voetbal was gestapt?

Van Basten kon nog alles, nou ja, bijna alles. In ieder geval veel meer dan we verwacht hadden. De eerste keer dat hij de bal aannam was al een verademing. Subtiel, zoals we gewend waren. Even wegdraaien, even kappen, heerlijk. Cruijff en Van Basten voelden aan dat dit hun avond moest worden, speciaal voor ons. Ze zochten elkaar op, vonden elkaar, een beetje stroef combinerend, nog niet helemaal beseffend dat de lichaamsreflexen niet meer van toen waren. Van Basten wilde nog eens stiften, maar kon het niet meer. Jammer. Maar toen was daar toch de mooiste actie die we wensen konden. Cruijff legde de bal terug op Van Basten, zoals een vader de bal aan zijn zoon geeft. In de voeten, geen ziekenhuisbal. En Van Basten scoorde. Eindelijk. Hij juichte, Cruijff juichte, iedereen juichte. We droomden.

,,Een briljante pass'', zou Cruijff uitleggen. En zo was het natuurlijk ook. Geen twijfel mogelijk. Maar dan toch scoren, met zulke slechte enkels. Van Basten had eigenlijk niet willen spelen. Hij durfde niet, hij was misschien wel bang voor een teleurstelling. Hij was de hele dag wel met de oude Ajacieden samen geweest, hij had samen met hen de `sportmaaltijd' (door Cruijff geadviseerd) genoten en hij had voor de wedstrijd net als alle anderen het trainingspak aangetrokken. Er waren twee mogelijkheden voor Van Basten, zei Cruijff later. De eerste was niet spelen en de aftrap doen. De tweede optie diende zich pas aan toen Van Basten in de kleedkamer zat en buiten het publiek hoorde zingen.

,,Ik wil er ook in'', zei Van Basten plotseling. Waarop Cruijff antwoordde: ,,Nou, als je er in wilt, dan ga je er in, zo simpel ligt het.'' Als Cruijff het zegt, is het zo. Dat was de hele dag zo geweest. En dat zou de hele dag zo blijven. Het was zijn dag, zo moest het gebeuren, zo moest het zijn, liefst met Van Basten dus. Want in het Ajax van toen, in het Ajax van de glorie, hoorde de enige echte Van Basten.

Nooit had Van Basten afscheid kunnen nemen van Ajax sinds hij als speler van AC Milan zijn loopbaan moest beëindigen. Niet dat hij zo graag afscheid neemt. Want een publieksspeler wil niet scheiden, die wil altijd blijven. Van Basten wilde niet als een halve invalide toegejuicht worden. Toe jongen, ga nou maar, had zijn vader afgelopen week nog gezegd. En Marco ging, liet zijn vader thuis bij de televisie achter en besloot er nog eens over na te denken. Hij zal er geen spijt van hebben.

Ze waren er gisteren bijna allemaal, bijna alle spelers die de afgelopen dertig jaar de Europese bekers en de wereldbekers hadden veroverd. Ze zagen hoe Cruijff als vanouds de regels bepaalde, hoe hij in de tweede wedstrijd tussen de jongste en de op een na jongste lichting van Ajax 1 tegen Barcelona op de trainersbank coach Wouters de finesses van de Cruijff-methode uitlegde. En ze zagen hoe hij van voorzitter Van Praag een cheque kreeg voor de Johan Cruijff Wellfare Foundation. Hij werd zelfs erelid. Beter laat dan nooit, zeiden we nog.

Op de schouders van Piet Keizer, Gerrie Mühren en Wim Suurbier verliet Cruijff het veld. Dat vond hij heel erg. Want Cruijff wil niet gedragen worden. Cruijff wil zelf dragen, zoals hij een elftal draagt. Naast hem stond Rob de Wit, dertien jaar geleden als 23-jarige getroffen door een hersenbloeding. De Wit had aan de hand van materiaalman Sjaak Wolffs de aftrap mogen verrichten. Hij was er wel bij, net als Klaas Nuninga, Henk Groot en Inge Danielsson. En net als Rinus Michels (71), traag en slecht ter been. Bergkamp was er niet, Vanenburg niet, Vasovic niet, Rijnders niet en Van Dijk niet. San Marco was er wel. Hij had nog eenmaal geschitterd en gescoord, dankzij Johan Cruijff. De droom van iedereen was uitgekomen.