Kinderpornozaken opgelost via Internet

Internet is een toevluchtsoord voor incestplegers die in babbelboxen een gretige afzetmarkt vinden voor hun kinderpornofoto's. Soms kunnen de slachtoffers worden gered.

Samenwerking tussen een groep psychologen van de universiteit van Cork in Ierland en de Britse en Amerikaanse politie heeft geleid tot een aantal opgeloste kinderpornozaken. De daders en de misbruikte kinderen, jongens en meisjes in de leeftijd van 5 tot 8 jaar, zijn opgespoord aan de hand van op het Internet gevonden foto's en andere gegevens.

Op een conferentie over pedofiele netwerken op het Internet vorige week in Brussel zei dr. Rachel O'Connell, wetenschappelijk onderzoeker aan de universiteit van Cork in Ierland, dat een van de misbruikte kinderen kon worden opgespoord aan de hand van de tekst op zijn T-shirt. Een zoektocht op het Internet wees uit dat het 6-jarige jongetje had deelgenomen aan een zomerkamp in de Amerikaanse staat Texas. Daar was hij samen met nog vijf andere jonge kinderen seksueel misbruikt door een jeugdleider. De man, die onlangs is gearresteerd, maakte foto's en films van het misbruik die hij onder meer via het Internet verspreidde.

In enkele zaken, die O'Connell samen met haar collega Gemma Holland bestudeert, wordt nog naar de daders en de misbruikte kinderen, meisjes in de leeftijd van 3 tot 8 jaar, gezocht. ,,Alarmerend'', noemen O'Connell en Holland het grote aantal nieuwe foto's van seksueel misbruik van kinderen dat zij op Internet, met name in nieuwsgroepen en chatboxen, aantreffen. ,,In de meeste gevallen is sprake van zeer zwaar misbruik.''

O'Connell vermoedt, gezien de aard van de opnames, dat de meeste nieuwe kinderpornofoto's, getuigenissen zijn van incest. Op veel nieuwe foto's bestaat de achtergrond uit een kinderkamer, huiskamer of studeerkamer. Van de 5.000 kinderpornofoto's die O'Connell en Holland hebben gecatalogiseerd in een databank bestaat een groot deel uit nieuwe opnamen. 88 procent van de misbruikte kinderen zijn meisjes, 12 procent jongens. In totaal heeft het kinderpornoteam van de Universiteit van Cork de laatste jaren 50.000 verschillende foto's van seksueel misbruik van kinderen verzameld. Ook O'Connells onderzoek naar kinderpornobabbelboxen wijst erop dat het Internet in toenemende mate een toevluchtsoord voor incestplegers wordt, die opnamen maken terwijl ze hun eigen kinderen en stiefkinderen misbruiken.

Voor haar onderzoek naar incestplegers op het Internet heeft O'Connell enige maanden geïnfiltreerd in chat rooms. Ze gaat ervan uit dat veel van de gesprekken die de deelnemers voeren in kinderporno- en incestkanalen op IRC op ervaring berusten of fantasieën betreffen die binnenkort uitgevoerd kunnen worden. Volgens O'Connell zijn de babbelboxen, waar volgens de politie juridisch niets tegen te ondernemen is, gevaarlijk omdat ze een legitimerend effect hebben. ,,Deze vormen van Internetcommunicatie scheppen een klimaat waarin het acceptabel is om kinderen te misbruiken'', zegt O'Connell. Ze wijst erop dat incestplegers chat rooms bezoeken om hun daden te rationaliseren en kinderpornofoto's uit te wisselen. Er is volgens haar sprake van een ,,complexe criminele samenzwering'' van pedofielen op Internet.

O'Connells conclusies sluiten aan bij de bevindingen van de internationale politieorganisatie Interpol dat Internet ,,de belangrijkste factor bij seksueel misbruik van minderjarigen en het belangrijkste middel bij de uitwisseling van kinderporno'' aan het worden is. Deskundigen van Interpol, Scotland Yard en meldpunten tegen kinderporno zijn het er over eens dat het nagenoeg onmogelijk is om te voorkomen dat Internet voor kinderporno wordt misbruikt.

DOSSIER www.nrc.nl