Hoornvliezen uit Hoorn

In de Nederlandse oogheelkunde is Leen Puister een levende legende. Als assistent van de patholoog-anatoom in het West-Fries Gasthuis, het streekziekenhuis in Hoorn dat onlangs bekend werd door de veteranenzieken die er verpleegd worden, heeft Puister in de afgelopen achttien jaar 3.820 donorogen bemachtigd. De medische waarde daarvan loopt in de miljoenen – dat duizenden blinden nu weer kunnen zien valt natuurlijk niet te becijferen.

Zo'n twintig jaar geleden begon Puister met het oogsten van hoornvliezen. De Hoornse oogarts Huberts vroeg hem om een hoornvlies, en een week later werd er een dood verkeersslachtoffer binnengebracht met een zwaar verminkt hoofd, waar een oog uit hing. Puister knipte het er af en gaf het aan Huberts, die het hoornvlies ervan inzette bij een vrouw. De blinde vrouw kon daarna weer zien.

Puister raakte onder de indruk en vroeg de directeur van het ziekenhuis of hij voortaan de nabestaanden van patiënten, die in het ziekenhuis overlijden, om toestemming mocht vragen om de hoornvliezen uit te nemen. Na twee jaar soebatten kreeg Puister permissie om dit te doen. Sindsdien heeft Hoorn meer hoornvliezen geleverd dan welk ziekenhuis ook. Zo'n tien jaar lang kwam eenderde van de hoornvliezen uit Hoorn.

De werkwijze van Puister getuigt van voorname eenvoud. Hij maakte de verpleging duidelijk dat er na het overlijden van elke ziekenhuispatiënt meteen drie dingen moesten gebeuren: 1. Afleggen. 2. Familie inlichten. 3. Puister bellen.

Zelf was hij dag en nacht bereikbaar, ook op zon- en feestdagen, zodat hij de nabestaanden altijd kon benaderen. Gehuld in een witte jas stelde hij zich dan voor – bij voorkeur in de koffiekamer – en na het geven van troost en het winnen van vertrouwen bracht hij dan de vraag ter sprake of de hoornvliezen gebruikt mochten worden. Slechts bij tien procent van de overledenen gaven de nabestaanden geen toestemming.

Puister denkt dat hij als buitenstaander het voordeel heeft dat hij de donor en de nabestaanden niet kent. Dat maakt volgens hem het stellen van de toestemmingsvraag eenvoudiger. Als de familieleden geen toestemming geven, informeert Puister nooit naar de reden en vraagt hij ook niet door. Het valt hem op dat Jehova`s, islamieten en mensen met weinig scholing de donatie van de ogen het vaakst weigeren.

Sons is het verdriet van nabestaanden zo groot dat ook Puister het niet over zijn hart kan verkrijgen om over toestemming voor donatie te beginnen. Zoals bij de twee pubers die in hun kalverliefde tegelijk op de provinciale weg bij Hoorn waren geschept.

Slechts één keer kreeg hij het verwijt dat hij met een brutale vraag kwam – die vraag had hij vóór de dood aan de overledene zelf moeten stellen. Puister heeft toen uitgelegd dat hij moeilijk in het ziekenhuis langs de bedden kon gaan met de vraag: ,,Als u straks onverhoopt overlijdt, wilt u dan uw ogen schenken?'

Het Leidse Eurotransplant, waar alle hoornvliezen naartoe gingen, droeg Puister op handen. Hem werd dan ook verzocht vooral door te gaan met het werven van hoornvliezen en huiden (zo'n tien per jaar). Ook toen hij met pensioen ging en voor het werven van de hoornvliezen de gouden eremedaille van de Orde van Oranje-Nassau kreeg, bleef Puister paraat.

Maar sinds een jaar is alles anders. Nadat de Wet op de Orgaandonatie van kracht werd, is Puister nooit meer opgeroepen. Puister: ,,Nu moet het centrale register geraadpleegd worden en – als dat nodig blijkt – moeten artsen zélf de toestemmingsvraag stellen. Maar dat doen ze niet, althans niet zo systematisch zoals ik dat deed. Vorig jaar heb ik maar dertien paar hoornvliezen uitgenomen, en geen 150 paar zoals in de jaren ervoor.'

Puister, inmiddels 70 jaar, wil nu namens een dokter, of als zijn verlengstuk, toestemming vragen aan de nabestaanden. Hij informeerde bij C. van Koesveld, de `tissue-medewerkster' bij BIS, de `weefseldochter' van Eurotransplant, en drs. G. Numan, donatieambtenaar bij WVC of hij dat mag. Hij kreeg van beiden te horen dat de wet hem dat verbiedt, ook als de medici daarin zo laks zijn dat blijkt dat maar eenderde van de potentiële orgaandonoren wordt benut en slechts eentwaalfde van de weefseldonoren.

Puister: ,,Ik wil graag weer beginnen en dokters instrueren hoe ik het deed. Het werven van hoornvliezen heb ik mezelf geleerd en zou ik het liefst tot mijn dood blijven doen. Er moet toch een juridische constructie te verzinnen zijn om mijn praktijk te gedogen? De staf van mijn ziekenhuis gaat daar nu over vergaderen, zonder mij, dus ik vrees dat het op de lange baan wordt geschoven. Na een peperdure overheidscampagne is er nu een wet die zó wordt toegepast dat mijn hoorn des overvloeds aan hoornvliezen is opgedroogd en de wachtlijst met hoornvliesblinden groeit.'

Het Don Quichot onderzoek, donortekort of donatietekort, een prospectieve studie in elf Nederlandse ziekenhuizen, van jan. '96 t/m juni '98, uitg. AZG, sept. 1998.

Pek van Andel

Bij het artikel Hoornvliezen uit Hoorn (in de krant van woensdag 7 april, pagina 26) is de naam van de auteur weggevallen. Zijn naam is Pek van Andel.