De megalomane jaren zeventig

`Apocalypse Next' werd Michael Cimino's historische western Heaven's Gate (1980) meesmuilend genoemd in de Amerikaanse pers, nadat zijn Vietnamfilm The Deer Hunter (1978) door zijn uitgelopen draaidagen en budgetoverschrijdingen al `Apocalypse First' was gedoopt. Maar ook Apocalypse Now (1979) van Francis Ford Coppola, de film die de bron vormde voor al deze woordspeligheid, was niet het onverdeelde succes dat van de maker van The Godfather (1972) en The Conversation (1974) verwacht mocht worden. Spotzieke critici hadden het daarom liever over `Apocalypse Now and Then'.

Het is het soort taalfetisjisme waar Amerikaanse filmjournalisten dol op zijn en dat kenmerkend is voor de sfeer in het Hollywood van de late jaren zeventig zoals beschreven door Peter Biskind in zijn boek Easy Riders, Raging Bulls. How the Sex-Drugs-and-Rock 'n' Roll Generation Saved Hollywood. En weer vernietigde, had hij daaraan moeten toevoegen. De filmmakers van het `nieuwe Hollywood', die tussen 1969 (Easy Rider, Dennis Hopper) en 1980 (Raging Bull, Martin Scorsese) een einde maakten aan het door sterren en stokoude producenten gedomineerde studiosysteem, brachten een reeks van modern-klassieke auteursfilms als Mean Streets (1973), Taxi Driver (1976, beide Scorsese), M*A*S*H (1970) en Nashville (1975, beide Robert Altman), The Last Picture Show (1971, Peter Bogdanovich), The Last Detail (Hal Ashby, 1973) en Hardcore (1979, Paul Schrader) voort. Zij overleefden slechts bij uitzondering hun eigen tot megalomane hoogtes gestegen levensstijl en de onverbiddelijke jaren tachtig die daaruit voortkwamen.

Gebaseerd op Biskinds boek stelde gastprogrammeur Jan Doense voor het Filmmuseum in Amsterdam een filmprogramma samen dat een aantal van de hoogtepunten uit deze periode verzamelt, een dertigtal klassiekers dat nauwelijks aanbeveling behoeft.

In navolging van hun Europese collega's maakten de filmmakers van `het laatste gouden tijdperk van Hollywood' persoonlijke, artistiek hoogwaardige films, hoe anders (zo stelt Biskind met spijt en minachting) dan de grootscheepse publieksfilms die Hollywood vandaag de dag voornamelijk voortbrengt. Hij ziet daarbij licht over het hoofd dat juist het mislukken van groots opgezette regisseursproducties als Heaven's Gate en Coppola's overgeproduceerde romantische komedie One from the Heart (1982) de weg voor het huidige door rekenmeesters gedomineerde Hollywood effende, meer in ieder geval dan het succes van Jaws (1975, Steven Spielberg) en Star Wars (1977, George Lucas) die Biskind aan de wieg van de huidige blockbusters ziet staan.

Bijna dertig miljoen dollar kostte One from the Heart, nog geen tiende van dat bedrag bracht de film op, terwijl de regisseur toch juist om de kosten te drukken met behulp van de nieuwste videotechnieken in een soort geÏsoleerde cel de opnamen overzag en alleen door middel van een radioverbinding met zijn medewerkers communiceerde. Het mag dan een flop zijn, het is een gedenkwaardige flop, net als de eveneens door het Filmmuseum vertoonde erotische update van de horrorklassieker Cat People (1982, Paul Schrader) en Steven Spielbergs duikbotenfilm 1941 (1979). Films die om duizend redenen mislukt zijn en die om tal van filmhistorische en sociologische redenen interessant zijn om te zien. Maar die vooral bekeken moeten worden omdat sommige flops filmisch zoveel meer waard, zoveel leuker, gênanter, hoopgevender en intrigerender zijn dan tal van vergeten hits.

Easy Riders, Raging Bulls. Films uit de jaren zeventig.Filmmuseum, Amsterdam, t/m 5 mei dagelijks. Inl.: (020) 5891400.