CPB meet eigen voorspelkracht

Hoe accuraat zijn de ramingen van het Centraal Planbureau (CPB)? Dat is het onderwerp van een deelstudie die het CPB vandaag presenteert in het Centraal Economisch Plan. Hoewel de ramingen van het CPB gaan over een keur aan economische variabelen, zoals de groei van werkgelegenheid, de ontwikkeling van de koopkracht en de overheidsfinanciën, richt het onderzoek zich op de moeder aller economische indicatoren: de volumegroei van het bruto binnenlands product, ofwel de economische groei.

Kern van het onderzoek is het verschil tussen de raming die het CPB doet in de Macro-economische Verkenningen (MEV) over het komende jaar, en de bbp-groei die in dat jaar daadwerkelijk is gerealiseerd. De MEV komt uit in september, samen met de Miljoenennota. De ramingen liggen ten grondslag aan de begroting die op Prinsjesdag wordt gepresenteerd, al is het belang hiervan minder geworden door het trendmatige begrotingsbeleid van minister Zalm (dat met scenario's werkt in plaats van met feitelijke ramingen).

Uit het onderzoek blijkt dat het CPB in de periode van 1971 tot en met 1984 de economische groei vaak overschatte. In de periode 1985 tot en met 1997 onderschatte het CPB de economische groei juist. Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de voorspelfouten? Uit het CPB-onderzoek blijkt dat met name de bedrijfsinvesteringen, het prijspeil van de uitvoer en de invoer, het volume van de invoer en de relevante wereldhandel en het voor Nederland relevante wereldhandelsvolume de boosdoeners zijn. In een kleine en open economie als de Nederlandse weegt de invloed van het volume en het prijspeil van de wereldhandel zwaar mee. Het juist voorspellen van de gang van zaken in de buitenwereld heeft een relatief forse invloed op het vermogen de Nederlandse economie te voorspellen. De bedrijfsinvesteringen zijn notoir wispelturig. Eén nieuwe raffinaderij in Pernis vertekent de groei met vele procenten.

Al met al maakte het CPB in de periode van 1971 tot en met 1984 een gemiddelde absolute voorspelfout van 1,4 procent waar het de economische groei betrof. In de periode van 1985 tot en met 1997 was die gemiddelde absolute voorspelfout 0,9 procent. Vergeleken met de economische instituten van acht andere Europese landen is het CPB een goede middenmoter. De instituten van Italië en Zweden bleken in de periode 1985-1997 het beste, met het CPB en het Duitse IFO als gedeelde derde. Het CPB tekent ter verdediging aan dat een grote, relatief gesloten economie als bijvoorbeeld de Duitse minder afhankelijk is van wat er in het buitenland gebeurt, en zich dus ook makkelijker laat ramen dan de Nederlandse. Bovendien nam het CPB juist in 1998, een jaar dat in het onderzoek niet werd meegeteld, revanche. De economische groei zoals die voorlopig door het CBS is vastgesteld, bedroeg 3,7 procent. En daar zaten de CPB-voorspel- lers maar een haar naast.