`Zo'n exodus hadden we niet verwacht'

De internationale hulpverlening aan de Albanese Kosovaren komt langzaam op gang. De situatie aan de grens met het straatarme Albanië is mensonterend. ,,Ons grootste probleem: schoon water.''

Voor het eerst sinds weken schijnt de zon in de Albanese hoofdstad Tirana en dus wordt er gewassen. In de heg rond het sportcentrum hangen vluchtelingen hun kleren te drogen, op het veld gooit een moeder kopjes water over haar blote zoon, verderop trekt een vrouw de luier van haar baby en houdt het kind spartelend onder de tuinslang. Het is een komen en gaan van vluchtelingen in het sportcentrum. Niemand telt nog. Tirana is vol. Overvol.

Binnen, in het sportcentrum, liggen oude mannen en vrouwen op schuimrubber matjes en hangen honderden mannen en vrouwen op de houten stoelen van de tribune. Ze slapen op meegebrachte dekens en matrassen. Het ruikt vreemd hier, naar natte kleren, opgedroogde modder, oksels en tranen. Een metalen stem klinkt door de hal, roept de namen af van net gearriveerde vluchtelingen die op zoek zijn naar hun echtgenotes, kinderen, broers, zussen. Kinderen rennen met plastic bordjes langs de stoelen. Vanmiddag krijgt iedere Kosovaar een schep bonen in witte saus, brood en een bekertje mineraalwater.

De situatie is beter in het tentenkamp, ingericht in het zwembad van Tirana. Jongens voetballen op de bodem van een bad en kinderen gillen – er is poppenkast. De Albanese regering heeft tweehonderd tenten neergezet voor zo'n tweeduizend mensen, de Italiaanse regering heeft vier grote tenten geleverd. Buiten worden de eerste hulpgoederen afgeleverd. De oorlog in Kosovo duurt al twee weken, maar de internationale hulpverlening komt nu pas op gang.

,,U moet het begrijpen'', zegt Macarena Aguilar van het Internationale Rode Kruis in Tirana. ,,De logistiek is moeilijk. De grensstreek bijvoorbeeld is zeer bergachtig, de wegen zijn slecht, de vrachtwagens doen er uren over om in het noorden van Albanië, in Kukës, te komen.'' Waar blijven de helikopters dan? ,,We mogen van de NAVO niet zomaar vliegen, maar de eerste helikopters zijn nu onderweg.'' Waarom moest dat twee weken duren, als per dag 30.000 mensen over de grens komen? ,,We hadden niet gedacht aan een humanitaire ramp van zo'n omvang'', zegt Aguilar en dan zucht ze. ,,Ik heb dezelfde vragen. Ik weet het niet. Het gaat zo moeilijk. Ik had collega's uit Kukës aan de telefoon. Huilend. Waar blijven jullie, vroegen ze.'' Aan Albanië ligt het niet. Het is een van Europa's armste landen. Toch stelt het alles in het werk om de vluchtelingen op te vangen.

De mensen worden vanuit Kukës met bussen naar Tirana en andere grote steden gereden en ondergebracht in centra als de sporthal. Vervolgens worden ze verspreid over het land, bij families, kennissen of onbekenden. Heel veel Albanezen hebben dezer dagen vluchtelingen in huis.

Andere Albanezen trekken naar de grens om te helpen. Zo zijn acht mannen in hun zwarte leren jassen `s avond op weg gegaan naar de grenspost Morina, zo'n veertig kilometer voorbij Kukës. Nu is het negen uur in de ochtend en staan ze in de berm. Hun voorste vrachtwagen is geschaard, de open laadbak is half van de weg gegleden, de doorgang is grotendeels gesperd. Alleen een fourwheel-auto kan er langs. De mannen komen uit Peshkopi, een Albanees stadje in de grensstreek met Kosovo. De vrachtwagens komen van de mijn nabij Peshkopi en zijn uitgeleend om vluchtelingen op te halen.

Morina nadert en er komen meer wagens op de weg. Het zijn tractoren met boerenkarren, uitpuilend van Kosovaarse vluchtelingen. Ze hebben hun karren overdekt met wit plastic tegen de kou en de regen. Er rijden ook auto's tussen. De nummerplaten zijn er op last van de Serviërs afgehaald, die ook de paspoorten en alle andere identiteitspapieren hebben afgenomen. Zo kan niemand ooit nog bewijzen voor de oorlog in Kosovo te hebben gewoond. Veel auto's zakken bijna door hun assen. Een Volkswagen Kever telt zeven mensen. Andere rijden op de velgen verder. Een zwarte Volkswagen Golf trekt een witte Renault 4. Die stond zonder benzine.

Op de grensovergang Morina worden de mensen ook deze dag geregistreerd. Onder een afdak zitten een (1) politieman en zijn hulpje. De agent spreekt, zijn assistent schrijft naam van de vluchteling, merk auto en hoeveelheid inzittenden op. Naar verluidt staat aan de Servische kant van de grens een file van twintig kilometer. Die mensen brengen nog een nacht door in hun auto of gewoon, in de berm.

Eenmaal over de grens huilen de mensen. Een vrouw met een kind aan de ene hand strijkt met de andere hand in haar ogen en verliest daarbij een dekentje. Er vallen drie luiers uit. Ze buigt zich voorover, veegt voorzichtig de modder van de luiers en bergt ze op. Maar ook aan de Albanese kant blijken de voorzieningen schamel te zijn. Twee jongens van het Albanese Rode Kruis zitten op vijf jerrycans met water – die zijn dus snel leeg. De Amerikaanse Catholic Relief Service deelt bekertjes jus d'orange en witte doosjes met tien koeken uit. ,,Proteïne'', zegt Anila Mjeda van de katholieke organisatie. ,,Een koek is gelijk aan een maaltijd.'' Dan moet ze weer verder. ,,Waar zijn de andere organisaties'', roept ze half vragend, half verwijtend.

Op een grasveld zet een handvol medewerkers van Médicins du Monde op dat ogenblik de eerste tenten op. Twee jonge vrouwen uit Kosovo – ze zijn tijdig geevacueerd – helpen mee. Hun grootste probleem? ,,Schoon water'', zegt een van hen beslist. ,,We kunnen mensen wel in tenten zetten, maar we hebben geen water. Het is een ongelooflijke ramp.'' Regelmatig kijkt ze ook naar de vluchtelingen die op sloffen en instappers door de modder voorbij glibberen. Want haar familie is nog in Kosovo. ,,Mijn handen werken hier, maar mijn ogen zijn daar'', en ze wijst naar de grenspost. Dan slaat ze haar handen voor het gezicht en druppen de tranen door haar vingers.

Het is overigens de vraag of de tenten vol zullen raken. Ze staan in het zicht van een Servische observatiepost – Albanese soldaten gluren al de hele middag door hun verrekijker naar boven. Bovendien schieten de Serviërs op Albanees grondgebied. Ook deze dag ratelen hun machinegeweren tot twee keer toe. Een OVSE-waarnemer ter plekke zegt dat deze incidenten vaker voorkomen. ,,De Serviërs willen de Albanezen provoceren en de vluchtelingen bang maken.'' Dat laatste lukt; bij iedere knal, ook al is het een kapotte uitlaat, kijken de Kosovaren verschrikt op.

De meeste vluchtelingen willen door naar Kukës, normaal een provincieplaats met circa 10.000 inwoners, nu onderdak voor zo'n 100.000 mensen. Overal `kamperen' mensen in de modder; op het veld voor de moskee, tussen de gestripte autowrakken op het voormalige autokerkhof, in de berm van de weg, achter de luchtafweersystemen. De chaos is groot – zeker nu president Rexhep Mejdani van Albanie vanmiddag op bezoek is. Het stadje is vergeven van politiewagens en wegafzettingen. Op het veld voor de moskee ontstaat een opstootje. Het lijkt over geld te gaan en politie-agenten voeren een man af. Even later verschijnt een politiewagen op het veld die de lokale bevolking oproept de vluchtelingen met rust te laten. ,,Anders wordt u meegenomen naar het politiebureau.''

Kukës kan de stroom vluchtelingen niet aan. Veel mensen hebben hulp nodig; acht Kosovaren zijn inmiddels overleden en vierhonderd mensen zijn naar het ziekenhuis gebracht, zegt een woordvoerder van de Albanese overheid op de televisie. Een Nederlandse cameraploeg heeft hier een man gefilmd die door de Serviërs in brand was gestoken en daarna over de grens werd gezet. Ze hebben de beelden niet uitgezonden. Te gruwelijk. Maar er gebeuren ook vrolijker dingen. In Kukës zijn de afgelopen dagen veertig Kosovaarse babies geboren.

,,Echt, de hulpgoederen komen er aan'', benadrukt Macarena Aguila van het Rode Kruis in Tirana nog een keer. ,,Maar wie had zo'n ramp kunnen voorzien?'' 's Avonds is president Clinton via CNN op de Albanese televisie te zien. Hij kondigt hulpkonvooien aan. Vanaf vandaag moeten er tien vliegtuigen per dag met Amerikaanse hulpgoederen in Tirana arriveren.