Tweede paasdag: in de file naar de droomfabriek

Je hebt al vijf tuinkabouters, maar je droomt van de zesde. Waarom staat Nederland op tweede paasdag massaal in de file naar tuincentrum en meubelboulevard?

De Canadees, groot en met een grijze baard, koopt een paarsblauwe clematis. ,,Voor op het grafje van onze vis'', zegt hij. ,,Die is vorig jaar doodgegaan.'' Zijn dochter Rosanne knikt, maar zegt niets. Ze pakt een potje vergeet-mij-nietjes.

De WAO'er — vroeger zat hij in de bouw — staat bij het waterbassin en kijkt naar de meervallen die erin rondzwemmen. ,,Die kosten wat hoor'', zegt hij. ,,En je moet er een grote vijver voor hebben.'' Hij heeft geen vijver, nee. Geen tuin ook trouwens. Hij woont driehoog in Amsterdam-Oost. ,,Een tuin'', zegt hij, zijn vingers vlak boven het water. ,,Ik zou wel willen. Maar hoe kom je d'r an?''

Droomfabriek. Na twee uur rondlopen rolt dat woord uit Cas Wouters' mond. Hij is socioloog, cultuursocioloog, Rijksuniversiteit Utrecht. Hij is meegegaan om uit te leggen waarom mensen op tweede paasdag allemaal in de file naar het tuincentrum gaan, of naar de meubelboulevard.

Vantevoren praat hij over ,,grote schoonmaak'' en ,,het huis klaarmaken om gezien te worden''. Zelf heeft hij het ook, hij is de hele Goede Vrijdag bezig geweest om in zijn eigen tuin de klimop om te leiden. Maar op tweede paasdag, om twaalf uur 's middags in de Intratuin aan de Nobelweg, weet hij niet meer zo precies wat hij ervan moet zeggen.

Het is hier niet de chaos die je zou verwachten — al wordt het er met het kwartier drukker. Er blèren geen kinderen. Er wordt niet gekift en gekat. (Dat komt later pas, bij Ikea.)

,,Vindt u ze mooi?'', vraagt Cas Wouters aan de zilverblonde dame in oudroze mantel die bij de tuinkabouters staat. Ze zet haar hoorapparaat harder en zegt: ,,Heel mooi. We hebben er al vijf.'' Het zijn geen gewone tuinkabouters, maar Laven – je kunt ze zien op de Efteling. Ze hebben namen, een karakter en een rol, je kunt over ze lezen in een zachtgele folder. Latijn is ons Laafse vissertje. Hij houdt ervan om vis te vangen en vrij te laten op een pijnloze en visvriendelijke manier. ,,Die kopen we in mei'', zegt de dame. ,,Dan hebben we een vijver.'' Ze strijkt over een Laaf die met de armen wijd op zijn knieën zit. ,,Zo leuk'', zegt ze. ,,Hij komt dus uit de rozenstruiken tevoorschijn en dan lacht hij naar dat moedertje.'' Die koopt ze in juni, misschien.

,,U woont zeker groot'', zegt Cas Wouters.

,,Mijn dochter woont groot'', zegt de dame. ,,In Sloten.'' Nieuwbouw. Zelf woont ze in Amsterdam-West, tweehoog. ,,Maar ik ben altijd bij mijn dochter, hè. Want ik ben toch maar alleen. En zij moet altijd werken en dan pas ik op de hond. Ze zit in de horeca, hè. En ze vragen altijd naar haar.'' Even later zit ze in de koffiehoek achter een groot stuk appeltaart met slagroom. En dan zegt Cas Wouters: ,,Droomfabriek.''

De twee jongens — de één controller bij een incassobureau, de ander ziekenverzorger in een verpleeghuis — die tijm, dwerganjers en korenbloemen in hun kar zetten. Zij hopen dat ze ,,door de lente mee te brengen'' hun (schoon-)moeder weer beter kunnen maken. Die heeft net een hersenbloeding gehad en ze ligt ,,kritiek''.

Het echtpaar — zij schoonmaakster, hij leraar op een agrarische school - dat alleen maar witbloeiende planten koopt. Zij willen graag dat de mensen van hen denken: die hebben nagedacht, die hebben smaak. ,,Als je alle kleuren door elkaar doet, dan heb je geen tuin. Dan heb je een postzegelverzameling.''

Als mensen hun eigen Hofje van Eden maar bij elkaar kunnen fantaseren. ,,Daar worden ze gelukkig van'', zegt Cas Wouters.

Maar waarom is het om drie uur 's middags bij de Ikea in Amsterdam Zuid-Oost dan zo'n ellende?

Te druk. Het is er gewoon te druk. En geen ramen. Je raakt geïrriteerd als je op de rand van zo'n bed wil nadenken over je nieuwe slaapkamer en iedereen botst tegen je benen aan.

Maar dan nog.

,,Vindt u hem mooi?'', vraagt Cas Wouters aan een goudblonde dame in een korte zwarte rok. Ze houdt een pluchen bal-met-staart in haar handen en duwt ermee tegen de buik van de man die naast haar staat.

,,Lekker zacht'', zegt ze. ,,Ik wil hem wel hebben.''

Ze zijn hier per ongeluk, zegt ze. Normaal zou ze hier nóóit op tweede paasdag heen zijn gegaan. Ben je gek. Maar ze moest een kleed ruilen, een grand foulard voor over de bank. ,,Een giller'', zegt ze. ,,Ik dacht dat hij okergeel was. En ik heb van die geloogde grenen meubelen.''

Haar man: ,,Maar hij was spinaziegroen!'' Hij schatert.

,,Je voelt gewoon dat die twee net bij elkaar zijn'', zegt Cas Wouters. ,,Die kunnen vandaag overal tegen.''

En dan nu de uitslag van de enquète: wat is Pasen? Aantal goede antwoorden in het tuincentrum: nul. In Ikea: ook nul. ,,Is het de tweede volle maan in de lente?''