Slecht weer maakt slimme bommen dom

Het slechte weer boven Kosovo hinderde de operatie `Allied Force'. Waarom?

Vergeleken met de stortbui van bommen op Iraakse doelen tijdens `Desert Storm' in 1991, is operatie `Allied Force' tegen Joegoslavië slechts een motregen. Vlogen toestellen van de anti-Iraakse alliantie acht jaar geleden nog duizend missies per dag, de afgelopen twee weken bedroeg het aantal dagelijkse NAVO-vluchten vanaf Italiaanse vliegbases zo'n honderdvijftig. Woordvoerders van het Pentagon en de NAVO noemen het weer, mist en regen, als de grootste boosdoener.

De meteorologische omstandigheden belemmeren het zicht van de lasergeleide bommen. De satellietgestuurde GPS-projectielen hebben daar geen last van, maar daar zijn er te weinig van en bovendien is het vaststellen van de schade, de zogeheten bomb damage assessment, BDA, niet mogelijk. ,,Het weer is waardeloos geweest, en dat heeft grote gevolgen gehad voor het aantal aanvallen dat we hebben kunnen uitvoeren,'' aldus Pentagon-woordvoerder Kenneth Bacon afgelopen weekeinde.

Een lasergeleide bom zoekt, eenmaal afgeworpen, de reflectie van de laserstraal op het doel op. Wordt het laserschijnsel zwakker, dan stuurt de bom zichzelf met beweeglijke vinnetjes naar het brandpunt van de `echo'. De bom is dus als het ware gevangen in een lichtkegel, die militairen de basket, de `mand', noemen. In theorie treffen meer dan negen op de tien van dergelijke bommen hun doel – bewegend of niet. Tijdens de Golfoorlog vlogen F-111 bommenwerpers over de Iraakse woestijn en zagen op hun warmtesensoren de silhouetten van de iets warmere, of juist koudere tanks beneden zich fel oplichten. Lasergeleide Paveway-bommen scoorden de ene na de andere hit.

Dit systeem, tank-plinking geheten, zou in theorie ook voor het Joegoslavische leger in Kosovo slecht nieuws zijn.

Het weer gooit op voor de hand liggende redenen roet in het eten: de piloot die de kruisdraden van de laser-bundel op het doel gericht moet houden, herkent dit niet. Dat is niet alles. Zelfs als het weer alleen maar vochtig is, moeten de piloten wel eens onverrichterzake terug keren. Want precies zoals het wateroppervlak een vis op een verkeerde plek suggereert, zo heeft ook een verzadigde atmosfeer een `brekend' effect. Behalve dat het projectiel dan gewoon het doel mist, kunnen ook nog onbedoeld veel burgerslachtoffers vallen. Luchtaanvallen werken dan averechts.

In theorie bieden de satellietgestuurde GPS-bommen, van de B-2 bommenwerpers bijvoorbeeld, uitkomst. Maar aangezien de GPS-coördinaten van het doel tevoren – soms zelfs vóór het opstijgen – in het geleidingssysteem moeten worden ingetoetst, zijn deze niet doeltreffend in te zetten tegen bewegende voertuigen.

Er is nog een probleem: de `BDA' wordt meestal vastgesteld met `gewone' camera's omdat de resolutie van weer-ongevoelige radar niet hoog genoeg is. Dergelijke daglichtcamera's zijn bij slechte weersomstandigheden net zo blind als eyeball Mark I, het blote oog. En de `BDA' is met het ten tonele verschijnen van de `slimme' bommen steeds belangrijker geworden. Doordat deze projectielen in tanks of andere doelen soms alleen maar een klein gaatje maken, en het interieur verwoesten, is het verschil tussen `getroffen' en `niet-geraakt' moeilijk te zien. Het besluit om nogmaals aan te vallen is dus moeilijk te nemen. De beslissing om twee dozijn Apache-gevechtshelikopters naar Kosovo te sturen, moet in dit licht worden bezien. Deze toestellen zijn uitgerust met zogeheten millimeter-wave radar die, mistig of niet, zo'n tien kilometer ver bewegende doelen kan `zien'. De resolutie van dit Longbow-systeem dat zich in een plastic paddestoel boven de rotor bevindt is zo hoog, dat `mis' of `raak' relatief makkelijk is vast te stellen.