NAVO-acties dragen Vietnam-trauma ten grave

De eensgezindheid in de Verenigde Staten over de NAVO-acties tegen Servië leidt ertoe dat de Amerikaanse buitenlandse politiek eindelijk is genezen van haar trauma's, vindt E.J. Dionne Jr. De VS moeten nu al hun krachten inspannen om de overwinning te behalen.

De oorlog van de Verenigde Staten tegen de Servische strijdkrachten van Slobodan Miloševic heeft ertoe geleid dat drie syndromen die het Amerikaanse buitenlands beleid plagen eindelijk ten grave kunnen worden gedragen.

Hoe we dit gebruik van Amerikaanse militaire macht achteraf moeten beoordelen, zal afhangen van de gevolgen daarvan – vooral die voor de noodlijdende Kosovaren en voor de toekomstige slagvaardigheid van de NAVO.

Ten eerste is er nu een einde gekomen aan het Vietnam-syndroom. Hoe we dit syndroom omschrijven hangt af vanuit welke invalshoek het wordt beschouwd. In de ogen van de tegenstanders van de Vietnam-oorlog was het een rationele terughoudendheid, een overtuiging dat het verstandig is de grenzen van de Amerikaanse macht te onderkennen. In de ogen van hen die de interventie in Vietnam nog altijd verdedigen, kwam het syndroom voort uit de misvatting dat de macht van de Verenigde Staten in wezen haatdragende agressie was en nimmer ten goede kon worden gebruikt.

Het afgelopen decennium heeft het Vietnam-syndroom veel klappen opgelopen, te beginnen bij het succes van de Verenigde Staten in de oorlog tegen Irak. Door Amerikaanse troepen in te zetten bij tal van conflicten – om te beginnen in Haïti, Bosnië en Irak – heeft president Clinton laten zien dat hij vindt dat de Amerikaanse militaire macht kan worden gebruikt ter bevordering van de democratie, de mensenrechten en gewettigde nationale belangen.

Maar de oorlog in Kosovo brengt de definitieve omslag. Dit keer hebben de meeste `duiven' uit het Vietnam-tijdperk hun tweeslachtigheid overwonnen en het gebruik van geweld goedgekeurd. Sommige verstokte `haviken' hebben zelfs beweerd dat de vroegere duiven met deze interventie instemmen juist omdat er géén vitale Amerikaanse belangen op het spel staan. Als de rechtse Republikeinse politicus Pat Buchanan beweert dat Kosovo een oorlog van het links-liberalisme is, heeft hij dan ook niet helemaal ongelijk.

In een bewonderenswaardig openhartige column, onlangs in USA Today, sprak Walter Shapiro namens veel anti-Vietnam-veteranen. ,,Doordesemd als ik was van de beperkingen van de Amerikaanse militaire macht, bevind ik me nu in de benarde omstandigheid dat ik mijn instemming met de NAVO-luchtaanvallen tegen Slobodan Miloševic moet rechtvaardigen'', schreef hij. ,,Zoals tragischerwijs blijkt uit het jarenlange geaarzel inzake Bosnië is Amerika het enige land dat over de middelen en de wil beschikt om ferm op te treden tegen de barbaren en terroristen die voor de poorten van de beschaafde samenleving staan.''

De genezing van het Vietnam-syndroom is een transatlantisch verschijnsel. Dat blijkt onder meer uit de wel heel opmerkelijke bekering van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer tot het gebruik van Westers militair geweld. Fischer is lid van de Groenen, een van de meest pacifistische partijen die het Westen kent. ,,Als je voor krijgszuchtig wordt uitgemaakt, begin je jezelf af te vragen of je wel alles hebt gedaan wat in je vermogen lag'' om een oorlog te voorkomen, zei Fischer afgelopen woensdag tijdens een persconferentie. ,,Ik kan alleen maar zeggen dat mijn antwoord ja is.''

Dan is er het Golfoorlog-syndroom. Dit syndroom, de keerzijde van het Vietnam-syndroom, had ons er bijna van overtuigd dat de Amerikaanse militaire macht probleemloos kon worden gebruikt.

Het succes van de Golfoorlog had twee oorzaken: een uitzonderlijk gedegen voorbereiding en een zeer duidelijke doelstelling, namelijk de beëindiging van de bezetting door Irak van Koeweit. Maar we mogen daaruit niet concluderen dat door de technologische superioriteit van de Verenigde Staten elke toekomstige oorlog zo gemakkelijk zal schijnen.

Uit de slachting die in Kosovo is ontketend door de legioenen van Miloševic' en uit de gevangenneming van Amerikaanse militairen kunnen we leren dat het effect van luchtaanvallen beperkt is, en dat we voorbereid moeten zijn op een strijd waarin technologie moet plaatsmaken voor de wil om een oorlog tot het einde toe te voeren.

Oorlogen zijn afschuwelijk en gaan gepaard met morele verdorvenheid. We mogen dan ook alleen oorlog voeren als onze doelstellingen lovenswaardig zijn en als we bereid zijn al onze krachten in te spannen voor de overwinning. Daarom komt de Republikeinse Senator John McCain (uit Arizona) alle eer toe, omdat hij heeft verklaard dat de Verenigde Staten, nu zij de strijd zijn aangegaan om de Kosovaren te beschermen, ons er ook niet meer uit terug mogen trekken voordat zij inderdaad beschermd zijn – ook al betekent dat de inzet van Amerikaanse grondtroepen.

Ten slotte is er nog het Automatisme-syndroom. Vroeger waren haviken haviken en duiven duiven. Hun reactie op een Amerikaanse interventie waar dan ook was voorspelbaar. Dat geldt nog steeds voor principiële pacifisten. Maar verder heeft vrijwel iedereen zijn politieke maagdelijkheid verloren.

Nu zoveel vroegere duiven zich ontpoppen als Kosovo-haviken en vice versa, is het onmogelijk geworden om mensen te stereotyperen. Bijna iedereen huldigt nu het standpunt dat Amerikaanse militaire macht te gebruiken is ten goede en ten kwade, in het nationaal belang en daartegen, zowel effectief als ineffectief. Door het overwinnen van de syndromen kunnen we thans open debatteren over de vraag of die macht moet worden gebruikt of niet, en zo ja wanneer, waar en hoe.

En laten we tenslotte dit tragische feit onder ogen zien: zelfs als Washington zich niet heeft gerealiseerd waar deze oorlog toe zou leiden, dan nog laat de bruutheid van de strijdkrachten van Miloševic ons geen andere keus meer dan te vechten totdat de Kosovaren weer veilig in hun eigen land kunnen leven.

E.J. Dionne Jr. is columnist van de Washington Post. © The Washington Post Writers Group

Oorlogen zijn afschuwelijk en gaan gepaard met morele verdorvenheid