Met Russisch pathos het lot te lijf

De vloer is bedekt met turfmolm, vóór het landhuis donker van kleur, erin licht. De wand, waarin een overdaad aan openslaande deuren naar het terras leidt, is aan de binnenzijde tot de nok van het theater van het Onafhankelijk Toneel bekleed met de kopse kanten van berkenstammetjes. Decorontwerper Edwin Kolpa doet de titel van Tsjechovs stuk De woudduivel eer aan. Zijn toneelbeeld toont letterlijk hoezeer de mens afhankelijk is van de bossen die hij tot ergernis en verdriet van titelheld en `radicaal-socialist' Misja – in de meeste vertalingen luisterend naar de bijnaam `de bosgeest' – in rap tempo van de aardbodem laat verdwijnen. Tegelijkertijd symboliseert al dat hout en molm bosbeheerder en turfsteker Misja zelf.

Het publiek krijgt dit fraais van beide kanten te zien; de eerste keer verhuist het na het eerste bedrijf, de tweede keer na de pauze. Het is een van de blijken van beweeglijkheid die deze enscenering van Mirjam Koen in hoge mate kenmerkt. Direct al in het begin zet ze de toon, met housemuziek. Moet dat, denk je even, dat soort modernisering hebben we al zo vaak gezien dat het ouderwets geworden is. Ja, het moet. Spelers rennen af en aan, door de terrasdeuren, van de zijkanten. Iemand roept: `Licht!' En er is licht, en muziek, en gekwetter van vogels. En van stemmen. Te veel stemmen, te ongericht, te ongearticuleerd. Maar dan – net als je vreest een zogenaamd experimenteel commentaar op Tsjechov te moeten gaan uitzitten – maakt de chaos plaats voor toneel van een zeldzame helderheid.

Klinkt dat saai, misschien, en geheel niet `artistiek', het tegendeel is waar. Een levendiger en spannender Tsjechov dan deze is nauwelijks voor te stellen. De woudduivel (1889) geldt als een voorstudie van het vrijwel identieke Oom Wanja (1897); het stuk werd tijdens Tsjechovs leven bij gebrek aan succes slechts enkele malen opgevoerd en bleef daarna ook vrijwel ongespeeld en onbekend, in tegenstelling tot Oom Wanja. Men kan hooguit gissen waaraan dat ligt: de eenmaal verworven reputatie kan de oorzaak zijn, maar ook de grotere uitgesprokenheid van het eerste stuk ten opzichte van het latere. Daarin worden het smachten en het ongeluk subtieler beleden, het heeft een `modern' open einde en zelfmoord is niet aan de orde. Hoe dit ook zij: Koen en de haren maken van de gedoodverfde gebreken kwaliteiten. Kijk bij voorbeeld naar de even wulpse als krampachtige Rubens-pose waarin Joke Tjalsma als de professorsdochter Sofie direct al aan het begin aan de voeten van woudloper Misja (Ruurt de Maesschalck) kronkelt; naar de koddig-wanhopige manier waarop Bert Luppes als Georg, ooit zwager van de professor, zich opdringt aan diens tweede vrouw Jelena, schitterend-verdwaasd gespeeld door Ria Eimers. Hij toont haar de aardappel-contouren van zijn blote kont, slechts terecht gewezen door een verstikt `Kleed je aan!' van haar kant: mevroi verveelt zich weliswaar te pletter, maar dit heeft ze liever niet. Kijk naar de kwikzilveren Jeroen Spitzenberger als het bandeloze rijkeluiszoontje Fedja dat niet moe wordt te herhalen `al heel wat' meegemaakt te hebben en zich daarom als een corpsbal denkt te kunnen misdragen. Kijk ook naar Misja die, door de onhandige Sofie fijntjes gewezen op het standsverschil tussen hen beiden, in ideologische woede ontsteekt en zonder pardon het hele interieur verbouwt.

Het zijn allemaal verrassingen en uitspattingen in de enscenering van een stuk dat deze mogelijkheden, onvermoed, wel degelijk biedt. Je moet lachen om deze vondsten, omdat ze meer zijn dan dat en te zamen de kern van het stuk raken. Natúúrlijk gedragen mensen zich zo en zeker dit hopeloze stelletje dat met Russisch pathos en landadelijke mores het eigen lot te lijf gaat. Potsierlijk zijn ze en onbeholpen, grof en dom, maar ook aandoenlijk en meelijwekkend en komiek.

Tsjechov beweerde niet voor niets komedies te schrijven, een ambitie die door maar weinig regisseurs ter harte wordt genomen. Koen en haar spelers maken van De woudduivel inderdaad een komedie, uptempo uitgevoerd, sprankelend van levenslust en plezier en razend knap in timing. De voorstelling, doorspekt met vervreemdende stileringen als zich rechtstreeks tot het publiek en de theatertechnici wendende acteurs, oogt bijna lakoniek.

Gemakkelijk en vanzelfsprekend wordt het verhaal voortgestuwd door spelers die zonder uitzondering geweldig zijn. Van de droogkomische Tjalsma kan ik mijn ogen sowieso nooit afhouden, maar de in hogere sferen verkerende Jelena van Eimers, de hoekige treiterkop van Luppes, de grillig-hysterische Djadin van Willem Kwakkelstein, de getergde Misja van De Maesschalck en de overtuigende vertolkingen van de anderen maken dat moeilijk. Vergelijk deze De woudduivel met toch heus verdienstelijke enscenering van Oom Wanja die Toneelgroep Amsterdam onlangs uitbracht. Er is geen vergelijk.

Voorstelling: De woudduivel van Anton Tsjechov door Onafhankelijk Toneel. Vert.: Marja Wiebes. Regie: Mirjam Koen. Decor: Edwin Kolpa. Spel: Ria Eimers, Ruurt de Maesschalck, Joke Tjalsma, Bert Luppes e.a. Gezien: 3/4, OT-Theater, Rotterdam. Aldaar t/m 22/5. Inl. (010) 476 9029.