DE GEBOORTE VAN DE ORANJE-EUFORIE

De benefietwedstrijd voor Johan Cruijff vanavond in de Arena heeft als thema `30 jaar Europa-Cupfinales'. De successen hadden een ongekend effect op het sportieve nationalisme.

Op donderdag 13 februari 1969 wordt op het Kleine Gartmanplantsoen in Amsterdam het Griekse verkeersbureau door scholieren met sneeuwballen bekogeld. In Athene is een kolonelsjunta aan de macht. Dat is de politieke reden voor deze spontane betoging in de pauze tussen gymnastiek en biologieles. Elders in de stad, in het Olympische Stadion, heeft Ajax de vorige avond op een besneeuwd veld verloren van Benfica. De langharige jongens van Jan de Wit hebben onder hun eigen klimatologische omstandigheden met 3-1 het onderspit gedolven tegen de strandvoetballer Eusebio en dictator Salazar. Dat is de psychologische reden voor het succes van deze spontane agitatie-propaganda. Politiek en sport gaan nu eenmaal samen, ook al wordt het tegendeel beweerd.

Ajax zet het twee weken later recht, waarna de befaamde wedstrijden in Parijs (3-0) en vooral die in het Tsjechoslowaakse Trnava (Johan Cruijff bijna onmiddellijk van de grasmat geschopt, uiteindelijk kantjeboord 2-0) volgen. Ajax is, als eerste Nederlandse club sinds het begin van de Europa Cup voor landskampioenen in 1956, op weg naar de finale in Madrid.

Op 21 mei van 1969 ontruimt de politie het Maagdenhuis in Amsterdam. Een week later speelt Ajax in Madrid tegen AC Milan en wordt eveneens ontruimd: 4-1. Het enige doelpunt is van de voet van Vasovic, die drie jaar eerder in de finale tegen Real Madrid met Partizan Belgrado ook had gescoord en verloren. Herrera, de Argentijnse coach en architect van het `catenaccio', concludeert: ,,Ajax leek wel een ploeg amateurs.''

Dat oordeel is niet aan dovemansoren gericht. Tot de 28ste mei 1969 is elke overwinning eigenlijk een geschenk, een signaal dat David soms toch niet voor Goliath hoeft te wijken. Topsport is nog bijzaak. Niet voor niets gaan de spelers van Ajax na de douche onverwijld langs in de kleedkamer van de Italianen om de tegenstanders, tot hun eigen verbazing, te feliciteren. Na de 28ste mei 1969 is er van zulke wellevendheid geen sprake meer. Topsport wordt hoofdzaak, winnen het doel. De jaren zestig zijn voorbij, in de maatschappij zowel als op het voetbalveld. Er is geen plaats meer voor een cultuur die ogenschijnlijk spelenderwijs (van uche-uche-uche rond het Spui tot mr-Ed-het-sprekende-paard van het REM-eiland) het verzuilde paternalisme opzij zet om zich in liberale richting te emanciperen en vervolgens verwonderd aan te zien waartoe dat allemaal kan leiden. De weg naar het moderne leven, waar geld en succes regeren, moet nu onomkeerbaar worden gevonden. De jaren zeventig kunnen nu echt beginnen. In Nederland krijgt dit decennium een paradoxaal uiterlijk: welbewust van de noodzaak de wereld te veroveren worden we een gidsland dat ook anderen de weg wil wijzen.

Ajax-coach Michels begrijpt de signalen onmiddellijk en hergroepeert zijn troepen. Jaren vijftigers als Bals, Van Duivenbode, Pronk en Muller worden vervangen door hedendaagse types als Stuy, Krol, Rijnders en Mühren. Zijn Feyenoord-collega Happel doet het nog resoluter. Een jaar later wint hij tegen Celtic in Milaan – met onder anderen Van Hanegem, Jansen, Israel, Laseroms, Kindvall, Hasil, Moulijn en (zoete wraak) Van Duivenbode - de eerste Europa Cup in de Nederlandse geschiedenis. Anderhalve maand later vindt in Kralingen het grootste Europese popconcert tot dan plaats.

Het zou in de 29 jaar daarna nog vijf maal gebeuren. Na Feyenoord is Ajax aan de beurt. De Amsterdammers winnen onder leiding van Vasovic in '71 (2-0 tegen Panathinaikos), in '72 (2-0 tegen Inter), '73 (1-0 tegen Juventus) en '95 (1-0 tegen AC Milan) en verliezen in '96 (van Juventus, na strafschoppen). PSV speelt, net als Feyenoord, één keer een finale (in 1988) en wint die ook (tegen Benfica, na strafschoppen). Het is alles bij elkaar een score van 18,6 procent finaleplaatsen en 13,9 procent overwinningen in de 43-jarige geschiedenis van de Europa Cup 1. Of beter: in de drie decennia dat `Holland een woordje meespreekt' wordt 20 procent van de `bekers met de grote oren' veroverd. Nederland is doorgedrongen tot de top vijf van het Europese voetbal, ex-aquo met Duitsland. Alleen Spanje, Italië en het Verenigd Koninkrijk hebben vaker een club de finale zien winnen.

En toch is er iets raars aan de hand met het Nederlandse voetbal in deze eerste jaren van zijn opmars. De overwinningen van Feyenoord en Ajax eind jaren zestig, begin zeventig zijn geen vaderlandse maar plaatselijke successen. De zege van Feyenoord in 1970 is menig Ajax-aanhanger een doorn in het oog. De nederlaag van Ajax een jaar eerder tegen AC Milan krijgt zo immers extra reliëf. De drievoudige revanche van de Amsterdammers daarna is niet bijster aangenaam voor menig Feyenoorder. De trilogie doet de uniciteit van de Rotterdamse prestatie enigszins verbleken. En PSV? Die club doet er in deze jaren niet toe. In het seizoen '71/'72 kan de presentator van het zondagse radioprogramma het zich bijvoorbeeld veroorloven om die club zo aan te kondigen: ,,En nu over naar het degradatieduel op Monnikenhuize: Vitesse-PSV.''

Dit lokaal-patriottisme is cultureel van aard. Het lijkt wel alsof er een kloof door Nederland loopt: produktie contra kunst, vlijt versus luiheid. In de Kuip, elke zondag met tienduizenden gevuld, verheugen de fans zich in het bescheiden arbeidzame en vooral doelgerichte karakter van Feyenoord dat naadloos aansluit bij het herwonnen zelfvertrouwen van stad en haven. In het ruim twee keer kleinere De Meer, wekelijks voor amper driekwart gevuld, bejubelen de supporters het vlerkerig hiërarchische spel van Ajax waarin Amsterdam zijn artistieke pretenties weerspiegeld ziet.

Er is niettemin één overeenkomst tussen Ajax en Feyenoord. Beide ploegen staan voor de randstad en symboliseren aldus het contrast tot de provincie. Voor het Nederlands elftal hebben de dragende spelers van beide teams weinig belangstelling. Johan Cruijff is daar wederom het duidelijkst in. Hij voetbalt eigenlijk alleen terwille van het voetbal, niet terwille van de nationale driekleur. Als de kwalificatiewedstrijd tegen België in november 1973, beslissend voor deelname aan het WK in West-Duitsland, door een doelpunt van Verheyen op de valreep een drama lijkt te worden, krijgen alleen de oudere vaderlanders, de radiogeneratie, een halve hartverzakking. Voor de jongeren, die met de televisie zijn groot geworden, heeft Nederland-België veel minder betekenis. Dat de Russische scheidsrechter Chazakov de goal afkeurt, is hooguit mooi meegenomen. Ook de voorbereiding van het eerste WK sinds de oorlog roept vervolgens slechts de lachlust op. Er moet een supervisor (Michels) aan te pas komen om enige orde in de troep te brengen. Het WK dat vervolgens half juni 1974 in Hannover begint, lijkt niet meer dan een experiment.

Maar dan gebeurt het. Voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis zitten de tribunes buiten Nederland vol met Oranjeklanten. De thuisblijvers weten niet wat hen overkomt en rennen naar de winkel om een nieuwe televisie te kopen. Nog nooit zijn er zoveel kleurentelevisies aan de man gebracht als in de laatste twee weken van juni 1974.

De rest is bekend. Het Nederlands elftal haalt de finale en verliest van gastland West-Duitsland. Vier jaar later herhaalt de geschiedenis zich in Argentinië nagenoeg exact, zij het dit keer met Happel als supervisor. Pas in 1988 is het nationale team bij het Europees kampioenschap, opnieuw onder leiding van Michels en wederom in de Bondsrepubliek, opgewassen tegen de buitenwereld. Nederland waant zich dé voetbalnatie. Elk EK of WK illustreert dat gevoel hartstochtelijk. Voor minder dan de gouden medaille `gaat' Oranje niet meer, ook al komt daar nu al ruim tien jaar niets meer van terecht.

Terugblikkend blijkt 1974 het keerpunt te zijn geweest: het begin van een nationaal sportgevoel dat het lokaal patriottisme overstijgt. Vanaf 1974 zijn de clubkleuren niet meer alleen zaligmakend. De overwinningen van PSV en Ajax in de Europacup worden in veel bredere kring gevierd dan alleen in Eindhoven en Amsterdam. De grote drie van het Nederlandse voetbal staan nog steeds voor drie verschillende milieus. De voetballers van Ajax worden tot `godenzonen' gebombardeerd en hun fans delen als het goed gaat mee in deze profane eer. De spelers van Feyenoord blijven werkers, hetgeen de supporters bij voor- én tegenspoed bevestigt in hun zelfbeeld. En de selectie van PSV weet dat ze vooral tot taak heeft de randstedelijke arrogantie af te straffen, precies zoals de provincie het wil. Maar allemaal ontlenen ze hun machtsbasis aan de suburbane samenleving die Nederland inmiddels is geworden. Als Oranje het veld betreedt, steekt deze wereld de kop op. Als het nationale elftal voetbalt, voelt Nederland zich op z'n minst de kleinste van de grote naties.

Dertig jaar succesvolle deelname aan de Europa Cup heeft aldus een ongekend convergerende uitwerking gehad op het sportieve nationalisme. Er is één voetballer die dat in hoogsteigen persoon heeft mogen ervaren: Johan Cruijff. In de jaren zestig was hij van Ajax, nu is hij van iedereen. Niet voor niets heeft Velibor Vasovic vorige week op hem een beroep gedaan de oorlog in Joegoslavië te doen stoppen.