ZENUWKANAAL BIEDT GEEN ZICHT OP TAAL VAN NEANDERTHALERS

Toch weer niet. Uit de dikte van het tongzenuwkanaal in fossiele schedels kan niet worden afgeleid dat sommige mensachtigen zoals Neanderthalers en vroege Homo Sapiens wel konden praten en anderen niet. Vier onderzoekers uit Berkeley en San Francisco komen tot deze conclusie na vergelijking van dit hypoglossale kanaal bij moderne mensen en 32 andere primatensoorten, variërend van gorilla's en chimpansees, tot de kleine halfaap Potto. Van de mantelbrulaap (Alouatta palliata) is bijvoorbeeld bekend dat hij niet kan praten, maar de variatie in de dikte van zijn hypoglossale kanaal valt gedeeltelijk binnen de moderne menselijke range. Dat het kanaal bij Neanderthalers ook binnen dit bereik valt, zegt dus niets over hun taalvermogen (Proceedings of the National Academy of Sciences 15 febr.).

Schattingen over de ouderdom van taal variëren van 2 miljoen jaar (eerste gereedschapgebruik) tot 40.000 jaar (definitieve doorbraak Homo sapiens met kunstvoorwerpen en geavanceerde gereedschappen). Vrij algemeen wordt aangenomen dat bepaalde geavanceerde jachttechnieken niet mogelijk zouden zijn geweest zonder gesproken communicatie tussen de vroege mensen, maar de details van die hypotheses zijn omstreden. Strikt genomen is het oudste onomstotelijke bewijs niet ouder dan 5.500 jaar, de leeftijd van het oudste Sumerische schrift.

De Californische onderzoekers ontkrachten nu met hun artikel een taalbewijsstuk dat paleontologen van de Amerikaanse Duke Universiteit vorig jaar in hetzelfde blad publiceerden (PNAS, 28 april 1998, zie W&O, 2 mei 1998). Zij hadden toen op basis van de dikte van het `tongzenuwkanaal' in fossiele schedels van chimpansees, gorilla's, Australopithecus, Homo erectus en Neanderthaler en een paar moderne schedels wel conclusies over het taalvermogen getrokken. Om goed te kunnen spreken is een lenige tong nodig, zo was hun redenering. En een lenige tong heeft een dikkere zenuw nodig voor de complexere motorische coördinatie. Het Neanderthalkanaal bleek overeen te komen met het moderne, de andere primaten vielen af.

De belangrijkste tekortkoming van dit eerdere onderzoek blijkt nu de te beperkte analyse te zijn van de omvang van het hypoglossale kanaal bij moderne mensen. Deze omvang blijkt bij nadere meting veel sterker te variëren dan gedacht: van 4 tot 37 mm², waardoor niet alleen allerlei half-, gewone en mensapen, maar ook de primitieve mensachtigen Australopithecus boisei en A. afarensis uit het Duke-onderzoek wel degelijk `modern' kunnen lijken. Verder blijkt de gedachte dat de dikte van het zenuwkanaal een maat zou kunnen zijn voor de motorische coördinatie van de tong ondeugdelijk. Bij nauwkeurige telling van de zenuwbundels die door het kanaal lopen bij een vijftal recent overleden mensen, blijkt er zelfs geen verband te bestaan tussen het aantal zenuwcellen of de dikte van de bundels en de omvang van het hypoglossale kanaal.

(Hendrik Spiering)