Oorlog Kosovo in vizier van OM

De Arnhemse officier van justitie M. de Roos registreert de gruwelijkheden in Kosovo met bijzondere belangstelling.

Wie zich nu in Kosovo aan oorlogsmisdaden schuldig maakt en daarna een veilig heenkomen zoekt in Nederland, krijgt te maken met officier van justitie Marleen de Roos-Schoenmakers. Sinds een jaar is zij belast met de opsporing en vervolging van oorlogsmisdadigers onder asielzoekers en vluchtelingen.

De officier en haar zes politie-rechercheurs doen op het ogenblik opsporingsonderzoek naar vijf in Nederland woonachtige verdachten die in het voormalige Joegoslavië de Nederlandse Wet oorlogsstrafrecht zouden hebben overtreden. Het is nog onduidelijk wanneer ze vervolging kan instellen. Daarnaast doet het team inventariserend onderzoek naar van oorlogsmisdaden verdachte Afghanen in Nederland.

Probleem is de bewijslast. Het is een bewerkelijk karwei. Het belangrijkste bewijs voor het openbaar ministerie (OM) vormen de verklaringen van mensen die destijds getuigen waren van de misdaden. En die getuigen zijn moeilijk te vinden, wonen inmiddels verspreid over de hele wereld en willen lang niet altijd praten. De rechercheurs hebben deze maanden tientallen getuigen gehoord in onder meer Duitsland, Zweden, Noorwegen en Canada. Het OM in Duitsland hoorde 1.500 tot tweeduizend getuigen voordat het tot vervolging van drie oorlogsmisdadigers kon overgaan, vertelt De Roos.

,,Wij moeten het van getuigen hebben. Het zijn mensen die zwaar getraumatiseerd zijn. Het kost heel veel tijd en moeite om hun vertrouwen te winnen voordat ze überhaupt een verklaring afleggen. Niet in de laatste plaats omdat ze, gezien de ervaringen in eigen land, vaak bang zijn voor de politie.''

De Roos is nu op zoek naar organisaties in Nederland die het vertrouwen hebben van de vluchtelingen. Ze heeft daarvoor ondermeer contact met vluchtelingenorganisaties. ,,Ik zoek naar een intermediair, naar contactpersonen tussen openbaar ministerie en politie enerzijds en de getuigen anderzijds. Mensen die de vluchteling kunnen vertellen dat de politie in Nederland op een andere manier werkt dan zij gewend zijn.''

De officier laat uitzoeken of er rechtshulpverdragen bestaan met de landen in het voormalige Joegoslavië. Want ze wil, indien nodig, ook onderzoek ter plekke doen.

Tot daadwerkelijke vervolging is het nog niet gekomen. Nederland loopt daarmee achter bij andere Europese landen. Daar werden de laatste jaren wel enkele oorlogsmisdadigers uit ex-Joegoslavië veroordeeld, van wie één zelfs tot levenslang.

Sinds de oprichting van het Joegoslavië Tribunaal in 1993 doen West-Europese landen zelf onderzoek naar oorlogsmisdadigers op hun grondgebied. Nederland, dat het Tribunaal huisvest, besloot ruim zes jaar geleden Joegoslavische oorlogsmisdadigers in Nederland aan te pakken en richtte een apart onderzoeksteam op.

Het openbaar ministerie zette het opsporingsonderzoek kort na de start echter op een laag pitje (het recherche-team werd goeddeels ontbonden) omdat het eerst van de Hoge Raad zekerheid wilde hebben dat het inderdaad bevoegd is hier buitenlandse oorlogsmisdadigers te vervolgen uit oorlogen waar Nederland in het geheel geen partij in is. Eind 1997 gaf de Hoge Raad het groene licht: het OM Arnhem is bevoegd, niet alleen voor Joegoslavië, maar voor èlke oorlog buiten Nederland.

De inspanningen werden dan ook weer opgevoerd. En het team werd uitgebreid – al heeft het nog steeds niet de sterkte die de minister van Justitie de Tweede Kamer beloofde. De eerste rechtszaak laat nog op zich wachten.

Volgens wetenschappers en betrokkenen bij de opsporingen is het uitblijven van vervolging te wijten aan het OM. Jurist Menno Kamminga bijvoorbeeld, rapporteur van de International Law Association, zei vorige jaar in deze krant dat Nederland tot nu toe ,,te lamlendig'' is geweest.

De Roos heeft weinig begrip voor de kritiek. Nederland loopt juist voorop, zegt ze. Nederland is met Duitsland het enige land ter wereld dat een apart opsporingsteam heeft voor oorlogsmisdadigers. ,,Duitsland heeft een afzonderlijk team, net zo groot als het Nederlandse team. En eigenlijk alleen bedoeld voor verdachten uit het voormalige Joegoslavië.''

Dat een aantal andere landen er wel in is geslaagd oorlogsmisdadigers onder vluchtelingen en asielzoekers veroordeeld te krijgen, is veelal eerder het gevolg van toeval dan van doelbewust beleid en intensief opsporingsonderzoek, meent De Roos.

Illustratief is volgens haar de arrestatie en veroordeling van een Joegoslavische oorlogsmisdadiger in Denemarken in 1994, de eerste oorlogsmisdadiger uit de Joegoslavië-crisis die in het Westen achter de tralies verdween. ,,Dat was eigenlijk toeval'', vertelt De Roos. ,,In een Deens asielzoekerscentrum dreigde een Joegoslaaf gelynched te worden omdat hij door mede asielzoekers was herkend als oorlogsmisdadiger. De politie is tussenbeide moeten komen om de man te redden. De Deense justitie had in feite geen andere keus dan de zaak te onderzoeken. Hij is toen vervolgd en veroordeeld. Maar dat was niet het gevolg van een eigen opsporingsonderzoek. De zaak is Denemarken op een presenteerblaadje aangediend.''

Het Joegoslavië Tribunaal in Den Haag vervolgt de grote oorlogsmisdadigers, de big fish, legt De Roos uit. Het OM in Arnhem richt zich op de zogenoemd kleinere oorlogsmisdadigers. Onder de vijf Joegoslaven naar wie Arnhem nu opsporingsonderzoek verricht, bevinden zich dan ook geen verdachten die honderden doden op hun geweten hebben. Hooguit tientallen.

Het openbaar ministerie heeft sinds het arrest van de Hoge Raad de hele wereld als werkterrein. Op de burelen van De Roos liggen dan ook dossiers van vluchtelingen en asielzoekers uit onder meer Sri-Lanka, Irak, Liberia, en Sierra-Leone. Maar daar komt de officier van justitie voorlopig niet aan toe.