ONWELKOM

`Niet in het straatje' luidt de treffende kop van de bespreking van `De onwelkome boodschap' van Köbben en Tromp (W&O, 6 maart). De auteurs beschrijven daarin gevallen waarin opdrachtgevers van derdegeldstroomonderzoek hun onwelgevallige wetenschappelijke publicaties trachten te voorkomen. De vrijheid van wetenschapsbeoefening wordt echter niet slechts van buiten de universiteit bedreigd, maar wellicht binnenkort ook van binnenuit.

De privatisering van de universiteiten heeft tot gevolg dat niet meer de minister van Onderwijs, maar de werkgeversvereniging van de universiteiten, de VSNU, onderhandelt met de bonden over de arbeidsvoorwaarden. Daarbij heeft de VSNU voorgesteld via de cao iedere werknemer te verplichten om aan de universiteit het auteursrecht over te dragen van alle werken die hij in diensttijd én in zijn vrije tijd schrijft. Bovendien moet hij de voltooiing van iedere publicatie melden aan de universiteit.

Deze verplichting is allesomvattend: zij geldt niet slechts voor wetenschappelijke artikelen en handboeken, maar ook voor gedichten, columns en ingezonden stukken in NRC Handelsblad. (De hoge onderwijslast leidt er overigens toe dat vele handboeken en artikelen vrijetijdsproducten zijn.) Van de vier vakcentrales maakt slechts de CMHF bezwaar tegen dit voorstel. De andere hopen wellicht dat de acceptatie van dit voorstel leidt tot een verhoging van het schamele loonbod van 0,75% voor 1999. Het raakt immers slechts het wetenschappelijk personeel en niet de meerderheid van hun leden.

Naar geldend recht komt het auteursrecht van een werk toe aan zijn maker, in dit geval dus de wetenschapper. Daarom beslist hij of, waar en in welke vorm hij de resultaten van zijn onderzoek wil publiceren. De redactie van een tijdschrift of een uitgever beslist of het zal worden gepubliceerd. In een enkel geval geeft een wetenschapper zijn werk zelf uit. Toestemming van zijn universiteit heeft hij niet nodig. Of zijn boodschap wenselijk of onwenselijk is voor een bedrijf, een maatschappelijke groepering, een politieke partij of een ministerie speelt geen rol. Bij deze geestelijke vrijheid gedijt de wetenschap. Iedereen in Nederland kan van de resultaten van onderzoek kennisnemen. De wetenschappelijke productiviteit van de Nederlandse universiteiten is hoog, zowel kwalitatief als kwantitatief.

Het VSNU-plan vormt een bedreiging van de vrije wetenschapsbeoefening. Een wetenschapper moet volgens het voorstel iedere publicatie melden. Een ambtenaar beslist of het gepubliceerd mag worden of niet. Hij krijgt daartoe richtlijnen: het auteursrechtbeleid van het college van bestuur. Men hoeft geen Cassandra te zijn om te voorspellen dat sommige kritische publicaties over enkele jaren niet meer of niet ongewijzigd gepubliceerd mogen worden. De geschiedenis leert dat vrijheidsbeperkingen sluipenderwijs worden ingevoerd. Het auteursrechtbeleid zal beargumenteerd worden met formuleringen als `schadelijk voor het universitaire belang' – ter maskering van de invloed van derdegeldstroomopdrachtgevers – en `de kans op aanzienlijke schadeclaims is niet uit te sluiten'.

De academische vrijheid is wezenlijk voor de wetenschapsbeoefening en voor de opleiding tot zelfstandige wetenschapsbeoefenaren: dat zijn de kerntaken van de universiteit. De verplichting toestemming te vragen voor een wetenschappelijke publicatie is onverenigbaar met de academische vrijheid. Juist op grond van de academische vrijheid verkozen vele wetenschappers een loopbaan aan een universiteit boven die bijvoorbeeld bij een overheidsonderzoeksinstituut of een industrieel laboratorium. Daar bepaalt immers de wetenschappelijk directeur of de octrooi-afdeling wat publicabel is.

Wil de universiteit een vrijplaats blijven voor wetenschapsbeoefening en niet verworden tot een markt van kennishandel, dan is het noodzakelijk dat de VSNU dit voorstel terugneemt. Dat het auteursrecht bij de wetenschapper blijft, is een bestaansvoorwaarde voor onafhankelijke wetenschapsbeoefening en dat recht zou geen onderhandelingsobject bij de arbeidsvoorwaarden mogen zijn.

De enige beïnvloedingsmogelijkheid voor wetenschappers en anderen die de academische vrijheid liefhebben, is hun verontrusting te uiten aan de colleges van bestuur van de universiteiten, die de VSNU besturen.