Natte wrakken

De archeologie van het vergane schip wint aan populariteit. In mei opent het Nationaal Scheepshistorisch Centrum zijn deuren.

Natte wrakken

VOORIN LIGT de vorig jaar opgegraven zevenduizend jaar oude boomkano van Hardinxveld-Giessendam. Verderop in het honderdveertig meter lange nieuwe onderkomen van het Nederlands Instituut voor Scheeps- en Onderwaterarcheologie (NISA) staat een al geconserveerd deel van een zestiende-eeuws koopvaardijschip, dat op de Oostzee voer. Daar weer achter ligt een vrijwel complete ventjager, die vierhonderd jaar geleden de vis bij de vissersvloot op de Zuiderzee ophaalde en aan wal bracht. Door een raam aan de zijkant is het houten paviljoen te zien waarin straks een beurtschip uit 1620 wordt tentoongesteld. In de toekomst komt er ook nog een paviljoen voor de Romeinse platbodem, die in 1974 bij Zwammerdam is gelicht. Verderop steken masten uit. Van de buurman, de replica van de Oost-Indiëvaarder Batavia. Zo biedt dit terrein in Lelystad aan het Oostvaardersdiep een overzicht van duizenden jaren varen in de Nederlanden. De Bataviawerf en het NISA openen dan ook vanaf mei de deuren voor het publiek als Nationaal Scheepshistorisch Centrum.

Zoiets werd tijd, want voor een natie met een rijke maritieme historie heeft Nederland verdacht weinig aandacht gehad voor archeologische overblijfselen uit dat verleden. De belangstelling ging lange tijd vooral uit naar archeologie op het land, naar regionale nederzettingspatronen, begrafenisrituelen en de ontwikkeling van Romeinse legerkampen langs de grenzen van het Romeinse rijk in de Lage Landen. Helaas, vindt Jaap Morel, directeur van het NISA. Want een opgegraven, gezonken schip is ``een gesloten tijdcapsule''. Een vitrine met vondsten uit een beurtschip, dat in de polder is opgegraven, onderstreept zijn woorden. Zes zeisen kwamen uit het wrak, evenals een aantal slanke ijzeren paaltjes met bovenop een kleine verdikking, enkele kleine hamers en een paar dikke houten stokken. Samen vertellen ze het verhaal van de hannekemaaiers, zeventiende-eeuwse seizoenarbeiders, die met het beurtschip, de trein van die tijd, uit Duitsland naar Noord-Holland kwamen om daar met de oogst te helpen. Ze hadden hun eigen uitrusting bij zich: zeisen om mee te maaien, ijzeren paaltjes die in de grond gestoken konden worden en als mini-aambeeld konden dienen, kleine hamers om de zeisen te pletten en houten stokken die ze met leer omwikkelden om er de zeisen mee te kunnen slijpen. Uit hetzelfde beurtschip kwam ook een stuk van een soort luit. Met snaren. ``Ze waren omwikkeld met stukjes ijzer. Net als bij een elektrische gitaar'', zegt Morel. ``Daar kon een musicoloog mee aan de slag.''

Hij wil maar zeggen, vergane historische schepen en hun lading leveren schatten aan informatie op over uiteenlopende zaken. Niet alleen over scheepstypen en scheepsbouw, maar ook over handelsroutes, het dagelijks leven en historische gebeurtenissen. Een zestiende-eeuws vaatje stokvis vertelt iets over bereidingswijzen van die tijd. En pakketten leer van Spaanse runderen geven zicht op illegale rituele slachtingen ten tijde van de Reconquista.

ROMEINSE HAVEN

Morel, afkomstig uit de landarcheologie, kwam eind jaren zeventig in aanraking met de scheepvaart toen hij de opgraving van de Romeinse haven van Velsen leidde. Dertien jaar heeft hij zich met dat project beziggehouden, tot hij in 1991 directeur werd van de voorloper van het NISA, het Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie in Ketelhaven.

Hij maakte toen nog net het staartje mee van de grootschalige opgravingen van scheepswrakken in de IJsselmeerpolders. Bij de drooglegging van de Noordoostpolder in de jaren veertig en de latere ontwikkeling van de polders stuitten de mensen van Rijkswaterstaat regelmatig op de resten van schepen die ooit in de Zuiderzee waren vergaan. In de loop der jaren ontstond een ploeg archeologen die op kosten van Rijkswaterstaat en vrijwel los van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) de schepen opgroef. ``Meer dan tweehonderd in totaal, soms wel tien per jaar'', zegt Morel. Opruimen is daarom misschien een beter woord voor het werk van de scheepsarcheologen, geeft hij toe. De schepen en hun onderdelen kwamen in het beste geval geconserveerd en wel terecht in het Ketelhaven en de opgravingsverslagen en -tekeningen verdwenen in dozen. Voor uitwerking van de gegevens en nader onderzoek was geen tijd, geld en personeel. De bibliotheek met wetenschappelijke literatuur in het nieuwe onderkomen verdient dan ook de kwalificatie `klein maar fijn'.

Onder water gebeurde nog minder. Hoe kan het ook, als je weet dat er in Nederland amper vijf `gediplomeerde' onderwaterarcheologen zijn. De overheid heeft onderwaterarcheologie ook nooit gestimuleerd. Eenvoudigweg, omdat een opgraving onder water, zeker in de Nederlandse wateren waar het zicht soms amper een meter is, veel langer duurt en al snel tien keer zo duur is als een opgraving op het vasteland.

eigendomskwestie

Indirect heeft de overheid zelfs de plundering van maritiem erfgoed gestimuleerd. Wie een wrak in zee vond en dat wilde opgraven hoefde niet langs bij een ministerie van cultuur. Scheepswrakken waren volgens de overheid roerende zaken en die konden niet tot archeologisch monument worden verklaard. Over de eigendomskwestie deed de overheid ook niet moeilijk. Volgens de Monumentenwet van 1961 moesten archeologische vondsten worden aangemeld bij de burgemeester van de gemeente waar de vondst was gedaan. Maar buitengaats waren geen gemeenten en ook geen burgemeesters waar vondsten konden worden gemeld. Wie in zee een schip wilde opgraven hoefde alleen even langs bij de Dienst Domeinen van het ministerie van financiën. Toestemming was meestal zo verleend, mits aan één eis werd voldaan: tien procent van de opbrengst moest worden afgestaan aan de Nederlandse staat. Zo kon het gebeuren dat begin jaren tachtig de Oost-indiëvaarder 't Vliegend Hart, die al meer dan twee eeuwen met duizenden gouden en zilveren munten voor de kust van Vlissingen lag, door een Engelse schatgraver werd leeggehaald.

De situatie is langzaam verbeterd. In 1988 werd de Monumentenwet zo aangepast dat een schip met de archeologische afzetting waarin het ligt tot monument kan worden verklaard. Onder auspiciën van de ROB kwam er een afdeling Archeologie Onderwater, die nu met het Rijksmuseum voor Scheepsarcheologie is samengevoegd tot het NISA. Verder kunnen archeologiestudenten het vak eindelijk leren, want sinds september vorig jaar bestaat aan de faculteit Archeologie van de Universiteit Leiden een afstudeervariant scheeps- en onderwaterarcheologie. Tot slot heeft de ROB schepen uitgeroepen tot speerpunt van onderzoek, zodat eindelijk een begin gemaakt kan worden van structureel onderzoek. ``Want'', zegt Morel, ``we praten wel over een hulk of een kogge, maar eigenlijk kennen we nog geen enkel type schip echt goed.''

Toch is er nog één smetje. In de Nederlandse archeologie gaat per jaar ongeveer 60 miljoen gulden om. Het budget van het NISA is 1,2 miljoen gulden. Morel houdt zijn mond. ``Dat is een politieke beslissing.''