Marshall-plantegen onderwijsramp

Volgens de kort na de Tweede Wereldoorlog overleden Britse schrijver H.G. Wells werd de menselijke geschiedenis ,,meer en meer een race tussen onderwijs en catastrofe''. Voor veel arme landen is dat maar al te waar. Wie het recente rapport Education Now; Break the Cycle of Poverty van de gezaghebbende internationale hulporganisatie Oxfam leest, moet wel concluderen dat de race verkeerd afloopt, indien niet snel actie wordt ondernomen.

Je hoeft geen beroemd Brits schrijver en denker te zijn om het eminente belang van goed onderwijs te onderkennen. Iedere weldenkende ouder wil het voor zijn kind. Moeders in opvangkampen in het door burgeroorlog getroffen Soedan stichten zelf lagere scholen voor hun kinderen, ondanks dat ze huizen, vee, spaargeld, kortom het hele bestaan, hebben verloren. Ouders in de sloppen van de Zambiaanse hoofdstad Lusaka recruteren middelbare scholieren om hun kinderen les te geven, omdat het publieke onderwijs volledig is ingestort.

Oxfam vreest niet ten onrechte dat de onderwijsramp in veel arme landen te weinig aandacht krijgt, waardoor noodzakelijke actie uitblijft. Droogte, honger en gewapende conflicten trekken immers gemakkelijker aandacht van internationale camera's.

Om de omvang van de onderwijsramp te bepalen: neem het aantal lagere-schoolkinderen in de Verenigde Staten en Europa en verdubbel dat aantal. Dan heb je het aantal kinderen in ontwikkelingslanden dat nooit een school heeft gezien of dat voor het einde uitvalt. Zo'n 125 miljoen kinderen in de lagere-schoolleeftijd, meest meisjes, bezoekt geen school. Nog eens 150 miljoen kinderen beginnen aan de lagere school maar stoppen voor het vierde jaar, de meesten voordat zij zich de basisvaardigheden van alfabetisme hebben eigen gemaakt. Een op de vier volwassenen in ontwikkelingslanden, ofwel 872 miljoen mensen, is niet in staat te lezen of te schrijven. En hun aantal groeit. In veel landen in Subsahara-Afrika en Zuid-Azië gaan kinderen 4 tot 7 jaar naar school, tegen 15 tot 17 jaar in de geïndustrialiseerde landen.

Veel armen verliezen de strijd om onderwijs, omdat ze de kosten niet kunnen dragen, het publieke onderwijs abominabel is, of omdat er simpelweg geen school is. De campagne van Oxfam International, waarbij de Nederlandse Novib is aangesloten, is een poging om te bereiken dat hun stemmen worden gehoord. Toegang tot onderwijs is niet alleen nodig om de cyclus van armoede te doorbreken, maar vormt ook de voorwaarde om een democratische samenleving te scheppen.

In 1989 beloofden alle regeringen op de World Conference on Education for All in Thailand beslissende actie om voor het jaar 2000 universele toegang tot primair onderwijs te garanderen. Een belofte die trouwens ook al in de Universele Verklaring over de rechten van de mens is terug te vinden. De rijke landen in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zagen in 1995 al aankomen dat de doelstelling nooit zou worden gehaald. Zij deden tijdens de Social Development Summit de belofte dat in 2015 universeel lager onderwijs moet zijn gerealiseerd. Tegelijk moet dan ook de armoede in de wereld zijn gehalveerd en de kindersterft met tweederde zijn verminderd.

Oxfam heeft berekend dat 8 miljard dollar extra per jaar (gedurende een periode van tien jaar) nodig is om de doelstelling van universeel lager onderwijs te bereiken. Dat is precies het bedrag dat de wereld in vier dagen aan bewapening uitgeeft. De door Oxfam gemaakte vergelijking mag door sommigen als enigszins demagogisch worden gezien, de wanverhouding is zo groot dat je er niet omheen kunt. Nog twee vergelijkingen om even de gedachten te bepalen: 8 miljard dollar is minder dan de helft van het bedrag dat Noord-Amerikaanse ouders jaarlijks aan speelgoed voor hun kinderen kopen of wat Europeanen elk jaar aan computerspelletjes besteden.

De potentiële voordelen van meer onderwijs zijn enorm. Recent economisch onderzoek toont dat nog eens overduidelijk aan. Zo sterven elk jaar 12 miljoen kinderen onder de twaalf als direct resultaat van vermijdbare infectieziekten die met armoede te maken hebben. Onderzoek wijst uit dat één extra jaar lager onderwijs van moeders het risico op kindersterfte met 8 procent vermindert. Ook is gebleken dat voltooiing van lager onderwijs in Subsahara-Afrika en Zuid-Azië de landbouwproductie met 8 procent vergroot. Betere toegang tot onderwijs draagt ook bij aan vermindering van ongelijkheid. Zo had Thailand tussen 1975 en 1995 een van de snelst groeiende ongelijkheidsratio's, waarvan volgens de Wereldbank een derde was toe te schrijven aan ongelijkheid in onderwijskansen.

Arme landen kunnen zelf al veel doen om de toegang tot het onderwijs te verbeteren door de sector simpelweg hoge priorteit te geven. In het Oxfam-rapport staan enkele frappante voorbeelden. Zo scoren Cuba, China en Sri Lanka heel goed. Op de zogenoemde Education Performance Index (EPI) staan de landen 40 plaatsen hoger dan grond van hun nationaal inkomen mocht worden verwacht. Opmerkelijke vooruitgang is geboekt door Oeganda, waar de afgelopen twee jaar het aantal kinderen dat lager onderwijs volgt is verdubbeld. Het land kon profiteren van een aanzienlijke kwijtschelding van buitenlandse schulden en gebruikte de besparingen op rente en aflossing om een programma voor universeel lager onderwijs te financieren. Vandaar ook dat Oxfam opnieuw pleit voor versnelling en uitbreiding van het plan van IMF en Wereldbank voor schuldverlichting voor de armste landen.

Oxfam wil de geesten rijp maken voor een Global Action Plan voor universeel lager onderwijs, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande structuren en organisaties. De internationale hulporganisatie trekt terecht een vergelijking met het Marshall-plan, dat na de verwoestingen van de oorlog Europa weer op been hielp.