Humorloze harken

De wiskundige Brouwer wilde, samen met nog wat andere denkers, onze taal zo herscheppen dat geen misverstand meer mogelijk was. Dat betekent het volledig omgooien van de grammatica, niet in de zin van het makkelijker maken door onregelmatige werkwoorden en verbuigingen te verwijderen (zoals in het Esperanto), maar een complete herdefinitie. En ik vermoed dat hij, zoals alle wereldverbeteraars, zijn Diktat met draconische dwang aan de wereld had willen opleggen.

Die peilloze arrogantie, die superbe wereldvreemdheid, en vooral die ontzaglijke domheid: zo iemand moet wel een genie zijn, te doen alsof de taal eigendom is van hem en zijn kompanen. Het is helaas geen zeldzame afwijking, want met de spelling is zoiets al gebeurd. Een half dozijn kamergeleerden, in dienst van een ter zake onkundige staatssecretaris, zadelden ons op met nooit uitgesproken lettercombinaties. Nieuwslezers zijn zelfs al begonnen die afwezige tussen-N hardop uit te spreken. Alle Nederlanders die nooit een boek lezen of schrijven, waaronder de bazen van de kranten, dwongen de echte schrijvers deze `pannenkoeken' te slikken. Gretig pakten de middenstanders de kwast om het op winkelpui en menu alvast te `verbeteren'.

Zo'n ingreep kun je van ongeletterden verwachten, vooral van politici ter linkerzijde, voor wie de uitbundige veelheid van het leven nu eenmaal altijd te veel is. Maar wat mij steeds weer verwondert is, dat mensen die toch voor intelligent doorgaan keer op keer zulke oliedomme dingen voorstellen. Het gaat hier niet om een smaakkwestie, zoals wanneer iemand ons wil overhalen om Haags of Fries te spreken. Het verbijsterende is dat zo iemand niet ziet, ja zelfs zich helemaal niet afvraagt, wat nu eigenlijk de functie van de taal is, en waarom die taal zo wendbaar is. Hij verdiept zich niet in de oorzaak van het misverstand. Geen wonder, trouwens, dat zulke mensen bijna altijd humorloze harken zijn, want aan het misverstand dankt de humorist zijn boterham.

Het misverstand is een onvermijdelijk nevenproduct van de prachtige plooibaarheid van de taal. Die omvat een balans tussen onduidelijkheid en precisie, waardoor je op bijna elke onverwachte gebeurtenis, ja zelfs emotie, bent voorbereid. Je kunt altijd `pyjamapaard' zeggen tegen iemand die niet weet wat een zebra is, en daarmee ben je al ver over de helft van de beschrijving. En juist daarom kan een natuurlijke taal niet ondubbelzinnig zijn: uit staalplaat snijd je geen maatpak, uit wol wel.

Die wiskundige bedrijfsblindheid mist en miskent een van de prachtigste producten van de culturele en biologische evolutie: de menselijke taal. Het adembenemende evenwicht tussen meestal-duidelijk en soms-vaag in de taal is niet door een uitvinder uitgekiend, zelfs niet door iemand met een talenknobbel. Het is vanzelf ontstaan, omdat dat het beste bleek te werken. De Neanderthaler die voor het eerst een tijger zag, en riep ``Pas op! Een gestreepte leeuw!'' had een goede kans om te overleven. De jager die terugriep ``Wablief?'' of erger nog ``Definieer dat eens!'' werd opgepeuzeld. Net goed: aan het yin-yang van duidelijk-vaag danken wij de letteren, de dichtkunst, de lol in ons leven.

Het bezit van taal is nu juist wat onze diersoort maakt tot wat hij is, niet het rechtoplopen, de opponeerbare duim of de relatieve schedelinhoud. Wie dat niet ziet, mist en miskent de evolutie als geheel. Zo iemand zou alles het liefst willen ontwerpen, van te voren vastleggen in protocollen en bestekken, zoals architecten er nooit in slagen om iets te laten evolueren, maar altijd meteen beginnen te slopen om hun nagelnieuwe bedenksel te kunnen neerzetten.

Zonder evolutie werkt niets naar behoren, want wie kan alles voorzien? Als je alles wilt ontwerpen ben je verplicht om overal wat op te verzinnen. Zo hebben mensen hun hele keuken vol staan met toestelletjes die per stuk maar één ding kunnen, zodat je voor het maken van een pannetje groentesoep een heel arsenaal apparaten nodig hebt. Terwijl het met een enkel koksmes, en wat ervaring en geduld, minstens zo goed gaat en je maar één ding af te wassen hebt.

De Natuur werkt niet volgens plan, en daarom werkt alles zo mooi. Als DNA exact gekopieerd zou worden, heb je de dood in de pot. Letterlijk, want een diersoort die slechts onder scherp bepaalde omstandigheden kan bestaan legt het loodje tijdens een wat droge zomer, een iets te strenge winter, een beetje natte herfst. Een van de redenen dat computers zo stuitend dom zijn, is nu juist dat ze ontworpen zijn om nooit fouten te maken. Dat maakt ze bijzonder nuttig, dat wel, maar ook buitengewoon stompzinnig.

Door die combinatie van nauwkeurig en vaag werkt ook ons immuunsysteem, want wie weet welk akelig virus je ooit nog eens kan tegenkomen? Hoe kun je je medicijnkast vullen als je niet van tevoren een volledige lijst hebt van alle mogelijke ziekten en hun remedies? Het lichaam van gewervelde dieren heeft daar een schitterend systeem voor gebouwd, door een betrekkelijk beperkt aantal kleine moleculen in talloos veel combinaties samen te stellen tot grote. Dat geeft ook misverstanden, zoals auto-immuunziekten, waarbij het geschut van het lichaam op de eigen troepen gaat paffen.

Dat een wiskundige niet weet hoe zijn erfelijk materiaal of afweersysteem werkt, geeft niets; dat heeft hij gemeen met 99,99% van de mensheid. Maar over die taalkwestie had een wetenschapper beter kunnen weten, door te rade te gaan bij zijn eigen vakgebied. Want ook de wetenschap werkt onveranderlijk met een losse combinatie van precisie en vaagheid. Het bedrijven van wetenschap is niet het toepassen van een soort `algebra der ontdekking', maar een nogal chaotische en vooral opportunistische zwerftocht. Onzekerheid in de wetenschap is troef, en het besef daarvan is het begin van alle wetenschappelijke vooruitgang. Natuurlijk is er onzekerheid in soorten en maten; aan het feit dat alles omlaag valt bestaat nauwelijks twijfel, maar hoe een quark er van binnen uitziet, weet voorlopig nog geen mens.

Desondanks heeft het waanidee dat wetenschap volgens plan zou kunnen verlopen zich als een poliep in Nederland vastgezogen, zoals het taalhervormingsplan destijds in het hoofd van een paar idealisten. Zeker, je kunt besluiten voortaan alleen geld te geven aan plannenmakers, `topscholen' en wat al niet. Maar geen plan kan rekening houden met het onbekende, met de geniale greep, met de individuele inval. Dus staat planwetenschap gelijk aan het subsidiëren van de middelmaat, even verstikkend als plan-economie. Alles draait daar om wat in bobo-jargon `verslaglegging' heet, stapels papier vol ronkende vaagheden, waarin elke wezenlijke vernieuwing in de kiem wordt gesmoord.

Zelfs al zou je een wiskundige kunsttaal verzinnen die vrij is van misverstanden, dan nog helpt dat geen zier, want taal wordt gesproken door mensen. Het is dus sowieso een illusie om te denken dat je alle misverstanden kunt uitbannen via die taal: je zou ook aan de mensen zelf moeten sleutelen, door op de een of andere manier hun schedel te lichten. Met de grammatica is het ze niet gelukt, maar de spelling wordt al gedicteerd door dorre geesten. Over hen zei R.W. Emerson: A foolish consistency is the hobgoblin of little minds (de ongeletterden in kwestie kunnen de vertaling tegen passende vergoeding bij mij aanvragen). Zelfs de onnozelste bushalte wordt tegenwoordig `hufterproof' gemaakt. Onze taal is die moeite blijkbaar niet waard.

Hetzelfde geldt voor de wetenschap; want zoals taal een brug is tussen mensen, zo is wetenschap een brug tussen de mens en de wereld. De meest wonderbaarlijke verrassingen liggen verscholen tussen Aarde en Oerknal, en dus is een gereguleerde wetenschap zo dood als perfect kopiërend DNA. Ik weet inmiddels wat de regelneven de wetenschap hebben aangedaan; ik durf er bijna niet aan te denken wat zij met onze hersenen van plan zijn.