Het digitale studielandschap

et valt niet mee, maar het moet. Nachtenlang stuntel ik als een wanhopige Hulot tussen het drukke verkeer op de elektronische snelweg. Starten, snelheid maken, invoegen, anticiperen, uitvoegen, straatje keren, en netjes parkeren, het komt me allemaal niet aanwaaien. Toch zet ik door, want zonder digitaal rijbewijs, zo heeft het hoger management besloten, wordt mijn lesbevoegdheid straks ingetrokken. Een brokkenpiloot kan men niet gebruiken in het hightech studielandschap van de volgende eeuw.

Gelijk hebben ze, en het zou dwaas zijn om alleen vanwege een aangeboren onhandigheid te volharden in een weliswaar romantisch maar verder vruchteloos verzet tegen de vooruitgang.

Onafwendbaar nadert daarom het einde van het klassieke docentschap. Ik schat nog drie jaar, want zolang had ik ook nodig voor mijn gewone rijbewijs. Maar dan is het over en uit en zit ik voortaan achter de computer les te geven. En ergens on-line in de onmetelijke ruimte achter het zoemende scherm bevinden zich mijn studenten. Ik zal digitaal met ze versmelten, ik zal hun bestanden openen, ik zal ze met mijn muis aansporen, belonen en zo nodig tuchtigen, ik zal ze knippen, ik zal ze plakken, ik zal ze kopiëren en ik zal ze tenslotte verwijderen uit mijn giga-geheugen. Maar nooit zal ik ze meer zien.

Dat heeft zijn voordelen. De lijfelijke aanwezigheid van een docent is niet altijd even bevorderlijk voor een efficiënte kennisoverdracht. Maar al te vaak wordt er door studenten misbruik van gemaakt. Ze zien het als een uitgelezen mogelijkheid voor het stellen van zeer domme vragen. De beantwoording daarvan vergt vaak zoveel tijd dat wanneer de zoemer gaat het eigenlijke onderwerp van de les nog nauwelijks besproken is.

Bovendien kleeft er een ander bezwaar aan live education. Elkaar zien is ook elkaar bekijken. De student heeft daar alle tijd voor tijdens de les. Het ligt voor de hand dat de lichaamstaal van de docent – kleding, motoriek en fysionomie – de kennisoverdracht makkelijk kan overstemmen. Dat geldt ook, zij het in mindere mate, vanuit het gezichtspunt van de docent. Ondanks alle ervaring blijft ook zijn blik soms ergens in de rijen weerloos haken, en is de stille aanwezigheid van één gelaat voldoende om de verdere opbouw van zijn betoog danig te verstoren.

Domheid en schoonheid, mits nadrukkelijk aanwezig, zijn niet bevorderlijk voor een succesvol leerproces. Op de elektronische snelweg kun je ze makkelijker vermijden dan in het het leslokaal. Maar er zijn ook nadelen. In het onderwijs gaat het namelijk niet alleen om die kennisoverdracht. Als docent ben je er vaak niet voor in de stemming – slecht geslapen, niet goed voorbereid, levensmoe, of gewoon geen zin – en voor de student geldt dat allemaal nog veel vaker. Wie onder deze omstandigheden blind vasthoudt aan wat er op dat uur onderwezen dient te worden, stort zich in een kille afgrond. Want na een paar zinnen gelooft iedereen het verder wel en hoort de arme docent zijn stem als een verdwaalde vogel in het lokaal rondfladderen.

Op die momenten heeft een andere prioriteit het leren verdrongen. Elkaars gezelschap is dan belangrijker. Dat men met zijn eenentwintigen op dit uur in een carré van formicatafels bij elkaar zit, dat evenzovele curricula vitae even de pas inhouden, dat net als jij niemand zin heeft daar iets aan te doen, dat zijn troostende ervaringen die het verder zo eenzame bestaan verlichten. Daar is de student voor naar school gekomen. En de docent, als hij eerlijk is, vaak ook.

Zo'n stuurloze bijeenkomst kan afhankelijk van de groep, het uur van de dag of de les ervoor volstromen met opluchtend gemor, gezellig gebabbel of oeverloze meligheid. Ook kan, als de groep heel moe is, zo'n diepe loomheid neerdalen dat er niets meer gezegd wordt, en de docent bij het verlaten van het lokaal zachtjes de deur moet sluiten om niemand wakker te maken.

Zelf heb ik een groot respect gekregen voor groepen die zich op deze manier verzetten tegen de kennisvermeerdering. Ik kom er graag.

Dit semester is groep 1PA3 mijn favoriet. Elke woensdagavond om kwart over zes ben ik in lokaal 2.11 aanwezig om de eerste beginselen van de organisatiesociologie uit te leggen. Tegen half zeven druppelen de eersten binnen, maar een kwartier later is het toch nog gezellig vol. De dames en heren volgen de middag-avondstudie personeelsmanagement. Na de middaglessen hebben ze getafeld in de binnenstad en nu zijn ze klaar voor het toetje: de avondsessie op school.

Het is elke week raak. Wat er op het menu stond weet ik niet, maar dat de wijnkaart met succes geraadpleegd werd staat vast. Het feestelijk geroezemoes blijft aanhouden, ook als ik de eenentwintig namen op de presentielijst tot driemaal toe indringend heb voorgedragen. Niemand maakt ook aanstalten om te gaan zitten. Men blijft informeel om de tafels heen hangen, en vormt losse groepjes waarin plezierig met elkaar van gedachten gewisseld wordt. Regelmatig stijgt er een aanstekelijk geschater op.

Als docent kan ik dan meer één ding doen. Ik begeef mij onopvallend onder de studenten en vul de les verder met een praktijkoefening in netwerkvorming. Een niet onbelangrijk onderwerp in de organisatiesociologie. En heel gezellig bovendien.

In het komende studielandschap zullen docent en student zich kunnen beperken tot digitale interactie. Dat is snel, efficiënt, goedkoop en buitengewoon leerzaam. Maar hoeveel wijn we er ook bij drinken, in de pijnlijke leegte achter ons eigen scherm zullen we het rumoer van lokaal 2.11 vreselijk gaan missen.