Helende beelden

Traditionele Afrikaanse geneeskunde en farmacie zijn gebaseerd op magie en religie, op plantaardige medicijnen en op sociale beïnvloeding. In het Afrika Museum in Berg en Dal is een expositie over etnofarmacologie te zien.

DE GIFBOL (Boophane disticha) is de ideale plant om te laten zien waar de etnofarmacologie zich mee bezig houdt. De plant levert medicijnen voor mens en dier, hallucinerende preparaten voor inwijdingsriten en om contact te leggen met de wereld van de geesten en hij bevat gif voor zelfmoord en pijlpunten. De gifbol mist één magische functie die traditionele genezers soms aan planten toekennen: hij wordt niet naast de deur geplant om geluk te brengen, of om boze dromen te weren. Geen wonder dat de bezoeker van de etnofarmacologie-expositie in het Afrika Museum direct op een gebeeldhouwde gifbol stuit. Het beeld van de bol met zijn waaier van grote bladeren is van de Zimbabwese beeldhouwer David Mushonga.

De tentoonstelling is het gevolg van de uit de hand gelopen hobby van gastconservator dr. Peter de Smet. In het dagelijks leven werkt hij bij het wetenschappelijk bureau (het WINap) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie, de beroepsvereniging van de apothekers. Zijn werk daar heeft niets met etnofarmacologie van doen.

De Smet: ``Toen ik een jaar of zes was kreeg ik een plaatjesboek, van de Faamdrop, over indianenstammen in Amerika. Sindsdien ben ik geïnteresseerd in pre-Colombiaanse archeologie. Mijn ouders, die zagen aankomen dat ze hun hele leven voor een zoon zouden moeten zorgen die zijn dagen sleet als pre-Colombiaans archeoloog maar geen droog brood verdiende, haalden me over om farmacie te gaan studeren. Tijdens mijn studie bleek dat ik als farmaceut iets kon toevoegen aan wat de archeologen en antropologen over die oude Midden-Amerikaanse culturen ontrafelden.''

De belangstelling voor oude midden-Amerikaanse culturen resulteerde in 1985 in De Smets proefschrift Ritual enemas and snuffs in the Americas. ``Daarin kwamen alle oude stammen uit het Faamdropboek weer terug. Ik ben daarna overgestapt naar de Afrikaanse etnofarmacologie omdat ik ook verzamelaar ben. De voorwerpen uit Midden-Amerika zijn voor iemand met een bescheiden budget onbetaalbaar geworden, maar voor een paar honderd gulden kun je nog iets aardigs uit Afrika kopen. En tegelijkertijd biedt Afrika de mogelijkheid om voorwerpen en gebruik van geneeskrachtige planten ook sociaal-cultureel en zelfs economisch te duiden. Er zijn interessante ontwikkelingen gaande, omdat de westerse en de traditionele geneeskunde elkaar beïnvloeden. Ik vind het fantastisch dat ik van het Afrika Museum het vertrouwen heb gekregen en deze expositie mocht verwezenlijken.''

Afrikaanse traditionele genezers letten niet uitsluitend op een kwade hoest, een gezwollen buik of akelige huiduitslag, zoals Westerse artsen doen. Ze genezen een kwaal door de balans tussen goed en kwaad te herstellen. Daarbij worden medicijnen, beelden en andere voorwerpen ingezet. De genezer leeft mee met zijn patiënten, bemoeit zich met hun persoonlijke leven en met hun gezinsleden en vrienden. De geneesmethoden houden de genezers dikwijls geheim en ze worden betaald voor hun diensten.

De Afrikaanse traditionele genezers lijken daarmee wel wat op de alternatieve genezers in Nederland. Die staan ook bekend om hun luisterend oor, hun aandacht voor heel de mens en hun volledige (maar soms onbewuste) exploitatie van wat in de reguliere geneeskunde het placebo-effect heet. Het verschil is dat in de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara de genezer vaak in hoog aanzien staat binnen zijn gemeenschap, zoals dominee, dokter en onderwijzer dat vroeger in Nederland waren. Ziekte en gezondheid zijn in Afrika onderdeel van het dagelijks leven en worden beschouwd in samenhang met religie en sociale orde. Die samenhang is in het Westen vrijwel afwezig.

De traditionele genezers in Afrika hebben veel gemeen, maar tegelijkertijd zijn per regio de onderlinge verschillen zo groot dat een compleet overzicht ontbreekt. De praktijk verandert momenteel snel. Het is zelfs de vraag waar de term traditioneel op slaat. Geschreven bronnen over de Afrikaanse geneeskunde ontbreken vrijwel en het heeft lang geduurd voordat Europese overheersers zoveel kennis van de taal en cultuur kregen dat ze begrepen wat er tijdens een sessie tussen dokter en patiënt gebeurt.

Gifproef

De Smet omschrijft zichzelf als een kamergeleerde. Hij heeft nooit veldwerk in Afrika gedaan. ``Ik heb daar ook geen tijd voor. Gelukkig moet ik voor mijn werk nog wel eens naar het buitenland en dat combineer ik dan met bezoeken aan conservatoren van Afrikamusea en antropologen. Ik merk dat ik makkelijk toegang tot hen heb omdat ik specifieke kennis bezit.''

Via een conservator van het Smithsonian Museum in Washington kwam De Smet bijvoorbeeld in contact met de Belgische Afrika-kenner Felix. ``Hij heeft een paar bekende boeken geschreven maar ik kende hem nog niet persoonlijk. Toen ik belde mocht ik langskomen. Hij is een wandelende encyclopedie en hielp ons aan voorwerpen waarvan ik wist dat ze bestonden, maar die ik nog nooit in een museum had gezien. De drinkbekers voor gifproeven op de expositie komen bijvoorbeeld bij hem vandaan.''

De gifproef is de uiterste vorm van waarzeggerij. Waarzeggen wordt meestal als onderdeel van de Afrikaanse geneeswijzen beschouwd. De proef staat gelijk aan de vuurproef of de waterproef die veronderstelde heksen in het Middeleeuwse Europa gedwongen werden te ondergaan. De Smet: ``Waarzeggers in de Afrikaanse landen voorspellen niet zozeer de toekomst. Ze achterhalen de oorzaak van ziekte en andere gebeurtenissen.''

De gifproef heeft een lange traditie in West- en Centraal-Afrika en kende per bevolking een verschillende uitvoering. Het Balante-volk in Senegal hield jaarlijks een massaal oordeel waar tot een kwart van een dorpsbevolking aan stierf. Toch was die dag des oordeels een feestdag. Degenen die stierven kregen de schuld van al het kwaad dat het afgelopen jaar was geschied. De overlevenden waren opgelucht en overtuigd dat al het leed voorlopig geleden was. Bij andere stammen kwamen de gifstoffen alleen tevoorschijn als iemand van hekserij werd beschuldigd. De Smet: ``Het gif was meestal een braakverwekkend middel dat ook dodelijk kon zijn. Als iemand ervan overgaf had hij zijn onschuld bewezen. Wie het binnenhield was schuldig en dikwijls stierf hij dan ook door het gif. In sommige streken moest niet alleen de beschuldigde maar ook de aanklager de proef ondergaan.''

Als gif werd, ook weer afhankelijk van de streek, de bast van de roodwaterboom gebruikt (waar braakopwekkende giftige alkaloïden in zitten), of de bast van de bengeboom (met het giftige, ook als pijlgif gebruikte, strychnine), of Calabarzaden. In die zaden zit fysostigmine, een stof die acetylcholine afbreekt en door ademstilstand of hartstilstand de dood kan veroorzaken. Fysostigmine is ook in de westerse geneeskunde gebruikt als antigif tegen anticholinerge geneesmiddelen en als verlager van de oogboldruk bij glaucoom. Een recente toepassing, als mogelijk middel tegen de ziekte van Alzheimer, is geen succes gebleken. Fysostigmine wordt in het Westen nauwelijks meer gebruikt.

Hetzelfde geldt voor de gifproef in Afrika. Hier en daar is de toediening op mensen vervangen door een proef op twee kippen. Deze symbolische uitvoering van de gifproef bij kippen laat zien dat de tradities in Afrika kunnen veranderen, vaak onder westerse invloed. De massale gifproeven zijn al in de zeventiende eeuw beschreven door de Nederlandse arts Olfert Dapper. Maar eeuwenoude voorwerpen over rol en werk van Afrikaanse traditionele genezers zijn zeldzaam. De Smet: ``In het Afrikaanse klimaat is het zeldzaam als beelden lang overleven. De genezers schreven zelf niets op en de verslagen van buitenstaanders geven pas in deze eeuw goed inzicht in wat er gebeurde. Er is natuurlijk heel lang alleen vanuit missiestandpunt of met koloniale blik naar de rituelen gekeken. We weten daardoor slecht hoe statisch de traditionele geneeskunde eigenlijk is geweest. Er is een mooie moderne studie van een Amerikaans geograaf die in Kenia keek hoe traditionele genezers in de grote steden werken. Daaruit blijkt dat ze helemaal niet star zijn in hun methoden, maar bereid zijn om nieuwe technieken over te nemen. De traditionele geneeskunde bloeit in de grote steden en de genezers incorporeren allerlei Westerse elementen.''

De beelden, maskers en gebruiksvoorwerpen op de expositie staan opgesteld in vitrines die zijn uitgespaard in een lange lichtgroene langs de vier muren van de grote expositiezaal golvende wand. In een reeks vitrines staan beelden van mensen en maskers waarop ziekten worden afgebeeld. De Smet: ``Met een Westerse blik kijk je ernaar als interessante afbeeldingen van ziektes. Ik heb me daar in zekere zin ook schuldig aan gemaakt, want ik heb gezocht naar vaak voorkomende ziektes. In werkelijkheid waren zulke beelden en maskers magische en rituele voorwerpen. Ze werden bijvoorbeeld gebruikt als waarschuwing. Met als boodschap: pas op, dit kan jou ook overkomen. En die waarschuwing is weer gekoppeld aan een moralistisch oordeel over iemands gedrag. Bij veel volken wordt ziekte gezien als een straf voor slecht gedrag.

``Een ander gebruik was om de geestkracht die aan een beeldje wordt toegeschreven te gebruiken om mensen de uitgebeelde ziekte te laten krijgen, of om ze er juist mee te genezen. Dit dualisme is eigenlijk ook een wezenskenmerk van de traditionele Afrikaanse geneeskunde. Welke kant het op gaat hangt af van degene die het beeld in handen heeft.''

Meestal moest het beeld genoeg kracht hebben, maar als de ziekte echt ernstig was kon de genezer het soms nodig vinden een klein stukje van het beeld af te snijden, dat te vermalen en dat door de medicijnen te mengen die de patiënt moest innemen. De Smet: ``Dan werd een beeld in onze westerse ogen toch weer een `echt' medicijn. Krachtbeelden kunnen ook tot daden worden aangezet door er bijvoorbeeld een spijker of een metalen mesje in te slaan.''

Hoe zwaar de ziektelast is waar de Afrikanen beneden de Sahara aan lijden blijkt uit een rapport van de Wereldbank en de Wereldgezondheidsorganisatie dat in 1997 is gepubliceerd. De ziektelast in een aantal grote gebieden in de wereld werd in dat rapport uitgedrukt in disability adjusted life years (DALY's). Deze voor handicaps aangepaste levensjaren zijn de levensjaren die van een gemiddeld mensenleven verloren gaan door voortijdige dood en door ernstige handicaps. Afhankelijk van de ernst van de handicap wordt bij de berekening van DALY's een aantal levensjaren met een handicap gelijk gesteld aan één verloren levensjaar.

Sub-Sahara Afrika draagt, rekenden de WHO- en Wereldbankonderzoekers uit en de bezoekers van de tentoonstelling krijgen de cijfers op een paneel te zien, 21,4% van de wereldlast aan DALY's. Ter bestrijding van die last beschikken de getroffenen over 0,7% van het wereldwijd beschikbare budget voor gezondheidszorg. In West-Europa, Noord-Amerika en Australië gebruiken de inwoners 87,3% van het wereldgezondheidszorgbudget in een poging om hun relatief geringe DALY-aandeel van 7,2% verder te reduceren.

Geen integratie

Ook al zouden de Afrikanen het willen, de Westerse geneeskunde is voor hen onbereikbaar. Letterlijk, omdat het dichtstbijzijnde ziekenhuis dikwijls te ver weg is, en figuurlijk, omdat de Westerse zorg te duur is. In Zuid-Afrika besloot het parlement vorig jaar augustus om de 350.000 traditionele genezers een wettelijke status te gaan verschaffen. Jarenlang is onder de apartheid geprobeerd de traditionele geneeskunde uit te bannen, maar 80% van de bevolking bezoekt nog steeds in eerste instantie een traditionele genezer. De Smet: ``Het betekent niet dat de westerse en traditionele geneeskunde zullen integreren. De kenners verwachten dat beide systemen het best naast elkaar kunnen blijven bestaan, maar wel kennis en technieken van elkaar overnemen.''

De plantaardige medicijnen die Afrikaanse traditionele genezers gebruiken hebben bijvoorbeeld de belangstelling van Westerse farmaceutische industrieën. Farmacologen die traditionele medicinale planten onderzoeken, vinden soms verbindingen die het gebruik verklaren, maar een andere keer alleen stoffen die schadelijk zijn. Los daarvan vinden Westerse farmaceutische industrieën in screeningsprogramma's actieve verbindingen in tropische planten waarvan geen traditioneel gebruik bekend is.

De Smet: ``Over artemisinine, een nieuw middel tegen malaria uit een bijvoetsoort, kun je al lezen in een Chinees kruidenboeken uit de vierde eeuw. Verbindingen uit de traditionele geneeskrachtige planten worden vaak chemisch veranderd tot actievere verbindingen met minder bijwerkingen. Maar dat gebeurt ook om een patenteerbare verbinding te krijgen. De traditie in Afrika kan ons waarschijnlijk nog aan het nodige helpen. Als je kijkt naar wat de Afrikaanse traditionele geneeskunde nu heeft geleverd zijn dat vooral stoffen met een snelle en duidelijke werking. Het zijn vaak giftige stoffen. Bekende voorbeelden zijn vinblastine en vincristine, celgroeiremmende stoffen die in het Westen in chemotherapie aan kankerpatiënten worden toegediend. Beide stoffen komen uit de Afrikaanse plant Catharanthus roseus die door traditionele genezers bij diabetes en reuma wordt gebruikt.''

Op de milieuconferentie in 1992 in Rio de Janeiro is bepaald dat farmaceutische bedrijven die kennis van traditionele genezers gaan gebruiken, of die verbindingen voor nieuwe medicijnen in lokale planten vinden, de genezers of de landen waar die planten groeien moeten laten delen in de opbrengst. Het principe is vastgelegd in de Conventie over Biodiversiteit die inmiddels door de EU en vele andere landen is geratificeerd. De Smet: ``Die betaling is nog niet precies geregeld. Je hebt grote kans dat, als er al wordt betaald, het geld bij de regeringen terecht komt en niet bij de mensen die de kennis hebben geleverd.''

De expositie Hemelse kruiden en Aardse kwalen, Afrika als etnofarmacologische schatkamer is van 5 april t/m 31 december 1999 opgesteld in het Afrika Museum, Postweg 6, Berg en Dal. Het museum is op maandagen gesloten. De Smet schreef de catalogus `Herbs, Health and Healers'. 180 pag. f70,-