Geen volksgericht

HET WAS BEPAALD GEEN MAKKELIJKE WEEK voor het Openbaar Ministerie. In Amsterdam sprak het gerechtshof de beweerde drugsbaron Etienne U. in hoger beroep vrij van de hoofdaanklacht. De eerdere veroordeling van U. door de rechtbank, die door het hof nu grotendeels teniet is gedaan, gold juist als een bewijs dat het OM na alle troebelen van de laatste jaren wel degelijk in staat is succes te boeken.

En in Leeuwarden kwam de officier van justitie deze week tot vrijspraak tegen de vierde verdachte in de zaak van Meindert Tjoelker, die twee jaar geleden op zijn vrijgezellenavond werd doodgeschopt. De aanklager distantieerde zich daarmee van het standpunt van het hogere OM bij het gerechtshof dat in de zaak tegen de andere drie verdachten had gezegd dat er wel degelijk redenen waren voor veroordeling van de vierde verdachte.

De gevallen verschillen, maar wat ze gemeen hebben is de vraag in hoeverre het OM alleen maar uit is op een veroordeling. De maatschappij mag daarom vragen, maar het juridisch metier stelt zijn eigen eisen.

Statistisch gezien hoeft het OM zich geen zorgen te maken, het percentage veroordelingen in de bij de rechter aangebrachte zaken vertoont de laatste tien jaar duidelijk een stijgende lijn. En het was al hoog in dit land. Maar dat is niet het hele antwoord op de zaken die eruit springen, zoals het tweetal van deze week.

In het Juristenblad van vorige week zegt de rechtssocioloog Bruinsma dat de justitiële autoriteit, die met een koele verwijzing naar de beginselen van de rechtstaat voorbij gaat aan een wijdverbreide emotionele verontwaardiging, het algemene vertrouwen in de justitie beschaamt. Dit is te makkelijk. Verstandige mensen zoeken geen volksgericht, getuige de algemene veroordeling van de recente poging in die richting in Urk.

HET BESTAANSRECHT van de justitie is juist dat zij tussen de dader en het slachtoffer en de samenleving en de opsporingsinstanties gaat staan. De laatste rapportage van minister Korthals (Justitie) over de hervorming van het OM bevat een tekenend detail. Het OM enquêteert wel slachtoffers van misdrijven over hun reacties op de rechtspleging, maar geen verdachten of veroordeelden. ,,Een lacune die aanvulling behoeft'', vindt de bewindsman. Ook na deze aanvulling is het anker voor het OM toch altijd de rechter. Deze beslist tenslotte over al dan niet veroordeling.

De vrijspraak van U. komt niet als een verrassing. Deze zaak is een late stuiptrekking van de IRT-affaire, waartoe hij trouwens mede de stoot gaf. Het eerste deel, het zogenaamde Delta-onderzoek, werd besmet verklaard. Er volgde een tweede onderzoek, Radar genaamd, maar dat leverde niet voldoende op voor veroordeling. Er was ,,wel iets'', zoals het hof het uitdrukt, maar er was onvoldoende wettig bewijs.

Dit is dus een vrijspraak wegens de merites van de zaak en niet wegens de gebruikte methodes, zodat de roep om meer armslag voor politie en justitie volstrekt misplaatst is. Het hof toont zich eerder nogal coulant met de zeer bedenkelijke getuigentraining die tijdens de zitting aan het licht kwam. De rechters noemen deze methode ,,drievoudig onverstandig'', maar doen hem niet in de ban.

Dat een zaak bij het hof anders uitpakt dan bij de rechtbank is elementair voor onze strafrechtspleging die hoger beroep kent. Van het OM wordt echter steeds meer verwacht dat het één lijn trekt. Een proces van stroomlijning is in gang gezet. Voor mevrouw Korvinus, de advocaat-generaal bij het Amsterdamse gerechtshof, was dat blijkens een interview in deze krant de reden er na een lange staat van dienst de brui aan te geven. Het kan haar moeilijk alleen te doen zijn geweest om de toenemende beleidsdichtheid bij het OM. Zij is kennelijk ook bezorgd dat een stelletje wildebrassen in de eerste lijn met dat beleid aan de haal gaat. Overdreven bezorgdheid? Kijk naar de IRT-affaire.

De zaak-Tjoelker bevestigt het beeld van het lagere OM dat rebelleert tegen het hogere. Of was hier veeleer sprake van een regiefoutje van het hogere echelon? In ieder geval bestaat er openlijke wrijving over dit soort kwesties. Daarnaar verwijst minister Korthals als hij de verhoudingen binnen het OM in zijn rapportage als ,,kwetsbaar'' en ,,subtiel'' kenschetst. Hij houdt echter onverkort vast aan de doelstelling van een meer eenvormig Openbaar Ministerie op geringere afstand van de politieke bewindsman dan voorheen het geval was.

Het is niet vanzelfsprekend dat een strafzaak in hoger beroep geheel in nieuwe handen overgaat – de verdachte kan gewoon zijn advocaat meenemen. Maar een gestroomlijnd OM is vatbaarder voor politieke beïnvloeding. Zelfs voorstanders van stroomlijning kunnen er niet omheen: op individueel niveau is een zekere onafhankelijkheid in de juridische afweging ook voor leden van het hiërarchisch opgezette OM onontbeerlijk. Uiteindelijk houdt iedere aanklager zijn eigen requisitoir voor zijn ,,eigen'' rechter. De strijd om het magistratelijke gehalte van de staande magistratuur is dan ook niet het ,,achterhoedegevecht'' dat er wel van gemaakt is.