Emoties basis financieel product

Angst en hebzucht zijn slechte raadgevers voor vermogensvorming. Toch zijn veel aanbiedingen van financiële producten gebaseerd op deze emoties.

Het eenvoudige idee dat belasting bespaard kan worden trekt veel mensen over de streep bij de aanschaf van een nieuw financieel product. Ze zijn bereid zich in allerlei bochten te wringen. De aanbieders bedenken steeds nieuwe mogelijkheden.

Het is weinig zinvol financiële producten alleen vanwege de belastingbesparing af te nemen. Zo'n beslissing heeft niet met persoonlijke financiële planning te maken. Men zou zich eerst af moeten vragen of een bepaald product bij de persoonlijke en financiële situatie past. De persoonlijke financiële planning zou moeten beginnen met een degelijke inventarisatie en het formuleren van de doelstellingen. Bij deze inventarisatie hoort het in kaart brengen van de risico's en de wijze waarop deze reeds zijn afgedekt. Risico's die men niet zelf kan lopen kunnen verzekerd worden. Dit betekent in de praktijk dat de risico's van arbeidsongeschiktheid en vroegtijdig overlijden goed gedekt moeten zijn. Hetzelfde geldt voor ziektekosten en voor bezittingen zoals het eigen huis. Voor zaken als vervroegd stoppen met werken of een aanvulling van de oudedagsvoorziening kan tijdig gespaard of belegd worden. Degenen die zich hierbij uitsluitend laten leiden door mogelijke belastingbesparing of het behalen van snelle koerswinsten kunnen gemakkelijk bedrogen uitkomen. Het is daarnaast van belang te bekijken of de risico's die aan een product kleven wel gewenst zijn.

Sparen en beleggen komen pas aan de orde als de doelstelling duidelijk en het risico aanvaardbaar is. Sparen loont, ook fiscaal. Over de eerste 1000 gulden per persoon is geen inkomstenbelasting verschuldigd. Voor gehuwden geldt een gezamenlijke vrijstelling van 2000 gulden. Bovendien geldt een vrijstelling op rente inkomsten van minderjarige kinderen van 500 gulden per kind. De rente die genoten wordt uit `groene' fondsen, die als zodanig bij ministeriële regeling erkend zijn, is geheel vrijgesteld van inkomstenbelasting. Daarnaast is maximaal 1000 gulden per persoon per jaar vrijgesteld van belasting op de spaarloonregeling.

Voor inkomsten uit beleggingen geldt over dividendinkomsten een vrijstelling van 1000 gulden per persoon en voor gehuwden een gezamenlijke vrijstelling van 2000 gulden. Wie weinig beleggingsrisico wil lopen kan kiezen voor deelname aan een dividendfonds. Hierbij wordt de rente in het dividendfonds als dividend aan de deelnemers van het fonds uitgekeerd. Wie wel bereid is enig beleggingsrisico te lopen kan kiezen uit een groot assortiment beleggingsfondsen of rechtstreeks in aandelen beleggen.

Beleggen is een kwestie van lange adem en minder geschikt als men het geld op korte termijn voor grote uitgaven nodig heeft. Daarvoor kan beter gereserveerd worden op een spaarrekening.

De markt wordt overspoeld met schijnbaar nieuwe producten en hoewel de reclame suggereert dat een specifiek product volstrekt uniek is lijken veel producten in feite sprekend op elkaar. Het belangrijkste verschil is veelal de naam van de aanbieder. Producten zijn daarnaast aan mode onderhevig. De aanbieders doen graag aan de heersende mode mee om zodoende een graantje mee te pikken.

Er bestaan in feite drie principes waarop de meeste producten geënt zijn. Dit zijn beleggen met geleend geld, onbelaste koerswinst en aftrekbare premie. Met enige onderlinge variaties zijn de meeste aanbiedingen daarop terug te voeren.

Tot 1 januari 1999 kwamen veel zogenaamde koerswinst- en winstverdubbelaars op de markt: de aandelenleaseplannen met aftrekbare vooruitbetaalde rente. Het gaat bij deze producten om beleggen met geleend geld en vooruit betaalde rente, waarbij in sommige gevallen de dividenden gebruikt worden om opties aan te kopen en de kosten van de aanbieder te voldoen. Inmiddels is daar na het ingrijpen van de Staatssecretaris weinig plezier meer aan te beleven. De creativiteit van de aanbieders is echter groot. Men kan nu deelnemen aan fondsen waarop maandelijks door de deelnemer rente en aflossing betaald wordt onder het motto dat beleggen met geleend geld nog steeds mogelijk is. Echter per 1 januari is nog een andere aanpassing in de fiscale wetgeving van kracht geworden. Deze houdt in dat de rente van leningen voor aankoop nog slechts aftrekbaar is voor zover daar belastbare inkomsten uit dividend tegenover staan. Voor zover de betaalde rente hoger is dan de dividend inkomsten, is het meerdere (nog) aftrekbaar als consumptieve rente. Deze rente is voor 1999 gelimiteerd tot 5202 gulden per persoon (gehuwden: 10.404 gulden). Daarboven is de rente niet meer aftrekbaar en verwachtwordt dat comsumptieve rente in de nabije toekomst in het geheel niet meer aftrekbaar zal zijn.

Meestal is een minimum termijn van deelname vereist, waarbij bijzondere oplettendheid geboden is als de looptijd vijftien jaar of langer is. In dat geval gaat het vaak om kapitaalverzekeringen, waarbij fiscale sancties bij eerder uitstappen gelden. Vermogensgroeifondsen berusten op het principe van de onbelaste koerswinst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het verschil in tarief tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting en het feit dat koerswinst voor particulieren van inkomstenbelasting vrijgesteld is. Dit lijkt aantrekkelijker dan het in veel gevallen is. Voor de vennootschapsbelasting is het tarief 35 procent; dit is een zeer klein verschil met het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting, nog afgezien van de beheerskosten en de aan-en verkoopkosten van het fonds.

Men valt pas in het 50-procenttarief van de inkomstenbelasting als de eerste schijf na de geldende belastingvrije som, het arbeidskostenforfait en de aftrekposten zoals de hypotheekrente overschreden wordt. De groep die op deze manier in het 60-procenttarief valt is zeer beperkt. Bovendien wordt bij vermogensgroeifondsen geen dividend uitgekeerd en als het niet goed gaat met de koersontwikkeling staat daar geen jaarlijks uitgekeerd dividend tegenover.

Naast de vermogensgroeifondsen worden kapitaalverzekeringen aangeboden met een minimale looptijd van 15 en 20 jaar. In deze verzekeringen wordt veelal belegd door de verzekeraar, waarbij de looptijd volgemaakt moet worden. Tevens zijn er maximale bedragen aan het einde van de looptijd toegestaan, die jaarlijks aangepast worden. Veel mensen hebben echter al een spaar- of levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek, waarbij door een combinatie met een kapitaalverzekering deze maxima reeds bereikt zijn en de overschrijding alsnog belast wordt.

Het derde principe is de premie voor lijfrenteverzekering, die tot een jaarlijks maximum aftrekbaar is. De uitkeringen zijn aan strikte voorwaarden gebonden en de uitgekeerde termijnen zijn belast. Bovendien zijn koerswinsten in de lijfrenteverzekering belast. Als het belastingsysteem voor de 21e eeuw volgens de huidige plannen doorgaat worden niet langer inkomsten uit vermogen belast, maar het vermogen zelf tegen een tarief van 1,2 procent en mag de premie voor lijfrenteverzekeringen nog alleen worden afgetrokken bij een aantoonbaar pensioentekort.