Eieigenschappen

NOG MAAR DRIE maanden geleden was het kerstmis en morgen vieren we alweer de dood van het christuskindje. Een goede gelegenheid om opnieuw stil te staan bij het ei en zijn eigenschappen: de eieigenschappen. Er waren nieuwe raadsels en er was nog oud werk dat op voltooiing wachtte.

Een briefschrijver beschreef hoe hij vorig jaar in een optimistische bui meer eieren kookte dan hij en zijn gezin konden verwerken, hoe hij ze, na enige dagen kokhalzen, uiteindelijk in de vuilnisemmer wierp en hoe hij vreemd opkeek toen er enige tijd daarna plotseling een vreemde gloed uit de emmer straalde. De eieren waren lichtgevend geworden en de schrijver begrijpt niet hoe dat kan.

Nu valt daar op voorhand wel iets zinnigs over te zeggen (fluorescentie en fosforescentie onder invloed van bacteriegroei zijn welbeschreven), maar het leek aardiger de proef eerst eens te herhalen – wat natuurlijk eenvoudig genoeg is. Een zestal hardgekookte eieren werd, na een verblijf van 24 uur in de eigen schil, gepeld en in de vrije natuur aan de lucht blootgesteld. Binnenshuis wachtten AW-onderzoekers de loop der dingen kalm af.

Het is niets geworden. Met het verstrijken van de tijd nam de lichtabsorptie eerder toe dan af en nu, vier weken later, zijn ze bijna zwart. Wat niet wegneemt dat ze ook in het volslagen duister moeiteloos zijn te vinden. Het waren tamelijk oude eieren, moet hier worden toegegeven. Ze waren vorig jaar juni aangeschaft en de luchtkamers hadden zich al tot bijna halverwege het ei uitgebreid. Misschien heeft dat een rol gespeeld.

Toch wordt de lezer opgeroepen de komende paasdagen een paar hardgekookte eieren opzij te zetten. De helft gepeld, de andere helft ongepeld, want de briefschrijver had in het midden gelaten in welke toestand de eieren aan het uitzenden van licht begonnen. Het AW-centrum ziet uit naar de resultaten.

Vier jaar geleden is hier de breuksterkte van eieren onderzocht om voortaan beter voorbereid te zijn op het zogenoemde eiertikken waaraan niet altijd valt te ontkomen. Met een vrij vallend hamertje van Meccano-onderdelen werden goed reproduceerbare tikken uitgedeeld aan allerlei soorten ei. En op allerlei verschillende plaatsen. De voorlopige uitkomst was dat de eieren de standaardklap beter opvingen op hun flanken dan aan hun polen, wat in strijd leek met de theorie. Bovendien kwam naar voren dat hardgekookte eieren niet wezenlijk sterker zijn dan rauwe eieren. Ook dat wekte verbazing.

Deze week werd besloten de zaak eens over een andere boeg te gooien en de eieren aan een meer statische belasting te onderwerpen. Door vrijgevigheid is het AW-labo in het bezit van een klassieke staande centrifuge (R.S. Stokvis - Fabrikaat Minkema), die volgens het machineplaatje bij een spanning van 220 volt en een netfrequentie van 50 Hz een toerental van maximaal 2800 rpm (dus 47 Hz) bereikt. Als daarin voldoende hand- en baddoeken worden gepropt, moet het mogelijk zijn de eieren aan een veelvoud van de zwaartekrachtsversnelling te onderwerpen, was de overweging.

Zo gedacht, zo gedaan en inderdaad is het moderne kippenei met eenvoudige middelen zowel in langs- als dwarsligging stabiel tegen een centrifugewand te krijgen. In principe was dus vergelijkend onderzoek mogelijk, maar ook deze maal droeg het werk geen vrucht. Nog voor de centrifuge-deksel helemaal dicht zat klonk een vreemd geluidje en kwam heldergeel slingervocht naar buiten druipen.

Met enige gêne geeft het AW-rekencentrum toe dat het de krachten en versnellingen in de centrifuge zwaar heeft onderschat. Met een standaardformule berekent men eenvoudig dat een trommeldiameter van 25 centimeter en een toerental van 47 Hz een centrifugale versnelling oplevert die meer dan duizendmaal zo groot is als de de zwaartekrachtsversnelling van 9,8 m/s². Dat klinkt alsof het niet waar kan zijn, maar ook een getrainde fysicus wist er geen speld tussen te krijgen.

Ruim duizend g in een veertig jaar oude Erres die de fijnste lingerie heeft drooggeslingerd! Had het besef eerder bestaan, dan was afgezien van het tweede deel van de proef waarin de sterkte van hardgekookte scharreleieren werd vergeleken. Nu hoorde men ook die al met een onheilspellend krakje bezwijken voor de machine nog maar half op toeren was (Anderzijds doorstonden pingpongballen het geweld alsof het hun dagelijks werk was.).

Het lijkt er dus op dat een verschil in stevigheid tussen rauwe en gekookte eieren alleen in een handgedreven centrifuge is te onderzoeken: bijvoorbeeld een slinger die men hard boven het hoofd rond draait. Enige ervaring met iets dergelijks is deze week opgedaan in een derde proefje dat ook mislukte. De vraag was of een rauw ei, dankzij zijn beweeglijke inhoud, een andere slingerkarakteristiek zou hebben dan een gekookt ei. Wie zich herinnert hoe het erop aankomt bij het schommelen in het juiste tempo met de schommel mee te bewegen, zal aanvoelen dat een rauw ei wel eens een slechte schommelaar kan zijn (zoals het ook niet spinnen wil). Enfin, een aantal testeieren, ondergebracht in een soort netje waarin weer andere eieren hadden gezeten, heeft wat heen en weer geslingerd aan een zijden draad, maar het heeft de wetenschap niet verder gebracht.

Wij verlaten de lezer met het verzoek eens na te denken over de vraag of een bevrucht ei onder het bebroeden zwaarder of lichter wordt. Til er niet te licht aan: voor het toenemend metabolisme wordt veel zuurstof opgenomen en het staat niet op voorhand vast dat de gevormde reusachtige CO2-moleculen even makkelijk naar buiten kunnen. Zelfs niet of ze dat willen. De sigaar en zijn as worden samen, rokendeweg, langzaam lichter, dat staat vast. Maar is een ei een sigaar?