Brug in bits

BEGIN 1900 was de restauratieve tandheelkunde zo ver gevorderd dat het mogelijk werd bepaalde typen restauraties buiten de mond te fabriceren. Het betrof dan vooral de gegoten gouden kronen, de inlays – grote vullingen die evenals kronen vastgezet worden met cement – en bruggen. Tot begin jaren negentig is de fabricagetechnologie van deze restauratie in principe onveranderd gebleven. De hoge kosten van dit fabricageproces waren er echter de oorzaak van dat men naarstig is blijven zoeken naar goedkopere methoden van vervaardiging. Het behoud van kwaliteit, onder meer blijkend uit de precieze aansluiting aan het resterende tandweefsel, stond daarbij voorop. Vooral de huidige opto-elektronische en computertechnologie lijken hier uitkomst te bieden. Aan het eind van de jaren tachtig werden zowel in de VS als in Europese landen als Frankrijk, Zwitserland en in ons land ideeën ontwikkeld om inlays, kronen en bruggen via de computer te produceren. Hierbij baseerde men zich met name op ontwikkelingen uit de auto- en ruimtevaartindustrie, waar de computer al sinds het begin van de zeventiger jaren wordt gebruikt bij het ontwerpen van modellen.

tv-camera

De uitgangspunten van de diverse systemen verschillen niet zoveel. In feite kunnen globaal drie fasen worden onderscheiden. Een tandarts prepareert op de traditionele wijze met zijn boor een aangetaste tand of kies. Met behulp van een kleine tv-camera in de mond worden de oppervlakten van de preparatie, de naburige tanden en kiezen en de gebitselementen in het tegenoverstaande kaakdeel in de vorm van beeldpunten driedimensionaal opgenomen en vervolgens door een computer verwerkt. Eigenlijk kunnen we spreken van een optische afdruk van het geprepareerde gebitselement. Dan komt de fase van het ontwerp van de restauratie. Ook daarbij is de computer actief (Computer Aided Design, CAD). In het geheugen van het apparaat is een aantal standaardgebitselementen opgeslagen. De computer maakt vervolgens een keuze en ontwerpt een vulling of kroon waarbij met allerlei factoren rekening wordt gehouden. Doel is vooral het bereiken van een optimale pasvorm en aansluiting aan de naburige tanden en kiezen. De derde fase is het computergestuurde productieproces (Computer Aided Manufacturing, CAM). Een meerassige freesmachine bewerkt, met behulp van de gegevens uit de computer, automatisch een massief stukje porselein of kunststof, zelfs in sommige gevallen metaal. Sommige van deze vullingen kan de tandarts dan direct in de mond van de patiënt plaatsen.

Een aantal CAD/CAM-systemen wordt al in de tandheelkundige praktijk gebruikt. Er bestaan echter grote technische verschillen tussen de diverse systemen. Het betreft dan met name factoren die de productiesnelheid, de nauwkeurigheid van de opnametechnieken en de implementatie in de praktijk betreffen. Wanneer men deze methoden kritisch bekijkt komt een merkwaardige tegenstelling aan het licht. Enerzijds gebruikt men in de meeste gevallen vrijwel optimale opnametechnieken waardoor de vormgeving van de restauraties niet meer valt te verbeteren. Anderzijds worden bij de vervaardiging van de restauraties vrij ouderwetse freesmachines gebruikt zodat de pasvorm nogal eens vragen oproept. Daarbij spelen de soorten cementen waarmee de CAD/CAM-restauraties worden vastgelijmd een grote rol. Ook hierover is het laatste woord in de literatuur niet gesproken.

kroon-en brugwerk

Er verschijnen steeds meer publicaties met gunstige resultaten over de duurzaamheid van restauraties die vervaardigd zijn met CAD/CAM-systemen. Deze zijn echter afkomstig uit universiteitsklinieken of gespecialiseerde tandartspraktijken. Ondanks het feit dat sommige van deze, overigens zeer prijzige systemen van ruim 100.000 gulden al in sommige Nederlandse tandartspraktijken worden gebruikt, bestaat de voorzichtige indruk dat de huidige manier waarop het kroon- en brugwerk in het tandtechnisch laboratorium wordt vervaardigd, de komende tien jaar nog is te verkiezen. Dat neemt niet weg dat er sprake is van een zeer interessante ontwikkeling. Onderzoeksinstituten zullen nog boeiende vraagstukken moeten oplossen. Maar het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het in de iets verdere toekomst vrij normaal zal zijn dat een gemiddelde tandarts dergelijke apparatuur in zijn praktijk zal gebruiken.

Met dank aan prof.dr. C.L. Davidson en dr. A.J. Feilzer, Vakgroep tandheelkundige materiaalwetenschappen, Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA), voor de verstrekte informatie.