Bang voor het echte leven

Er zijn kinderen die, hoe warm en liefhebbend hun ouders ook zijn, hun hele jeugd lijden onder onbestemde levensangsten. De vroegste herinneringen van de schrijfster Wilma Vermaat (1873-1967) lijken zo veilig: ,,Als vader en moeder 's morgens opgestaan waren, knielden ze vlak tegenover elkander midden in de kamer. Ik knielde als een klein hoopje tussen hen in; soms was mijn ouder zusje er ook bij. Dan sloeg vader zijn armen zo ver mogelijk om ons heen, zoals een binder zijn armen om een garf slaat, en bad...''

Zij bezat een wat dweperige neiging tot het geloof. ,,Ik las de wijze kinderboeken uit die tijd en begreep er niets van, maar toch begreep ik er àlles van. Er was een boekje met een geel omslag, getiteld: `Vroeg naar de hemel'. 't Ging over een stervend meisje, dat niet meer spreken kon en met haar twee voorste vingertjes naar boven wees. Ik vond dat prachtig! Dat wou ik ook en ging met mijn twee vingers naar boven op mijn rug liggen, precies als het meisje op het omslagplaatje.''

De vloek die haar jeugd verduisterde heet bedplassen. ,,Ik leed namelijk aan een kwaal, waarmee veel sensitieve kinderen te worstelen hebben. Meestal gaat dat op een bepaalde leeftijd over; bij mij ging het niet over. Ik herinner me niet, dat ik moeder ooit boos of ongelukkig heb gezien, en ik was te klein om iets van haar bezorgdheid te merken. Alleen weet ik nog, dat de jonge leraarsvrouw van beneden op een morgen boven kwam en een wasje zag hangen, waarop ze tegen me zei: `Heb je je moesje weer zoveel verdriet gedaan?' Ik begreep niet wat ze bedoelde. Het moest dus wel iets heel ergs zijn. En dit `heel erge' zonk diep in mijn kinderwezen, om later als een zwarte angst weer op te duiken.''

Als dit soort morele chantage het ergste is dat je als kind meemaakt, mocht je toch niet klagen. ,,'t Was een gelukkige tijd, al broedde ook toen over mijn leven de dreiging van dat `heel erge', waarvan moeder zoveel verdriet had, en dat bij 't opgroeien werd geaccentueerd door een woord te goeder trouw gesproken, dat mij nooit meer verliet en als een kramp mijn leven langzaam begon te verwringen: `Hoe kun je ooit in het leven staan, als dit zo blijft?' Ja, ik begreep, dat het niet kon. Maar `het leven' was een geheimzinnige grootheid en nog veraf. Een enkele keer doemde het in mijn verbeelding voor mij op, angstwekkend hard en donker als een muur, die je aan alle kanten insloot; dat gebeurde echter maar zelden.''

Nu was er een schaduw over haar leven die langzaam dreigender werd – de vroegtijdige dood van haar moeder. ,,Ze had werkelijk wat de mensen in die tijd `tering' noemden. Vader had een leunstoel voor haar gekocht. In die leunstoel kon ze buiten zitten als de zon scheen. (...) In die tijd was dus de behandeling van t.b.-patiënten heel anders dan tegenwoordig. Er werd zorgvuldig voor ieder tochtje gewaakt. Dus was mijn conclusie: als je op de tocht stond kreeg je tering. Zo ging ik telkens ongemerkt naar de zolder, zette alle raampjes tegen elkaar open en stond er in de vliegende tocht zolang ik durfde, want ik voelde instinctief dat ik iets verkeerds deed. Ik kòn niet anders. Er zat mij iets op de hielen, ik wist niet wat. Ik hoopte alleen dat ik ook tering zou krijgen en altijd in zo'n veilige stoel zou mogen zitten, dan kon het leven niet meer bij mij komen.''

En dit kinderlijke verlangen om het grotemensenleven te ontlopen hield aan. ,,Hoe is toch in mijn kinderwezen deze ontzettende angst voor het leven zo diep ingedrukt, dat ik tot na mijn dertigste jaar niet anders gedaan heb dan trachten aan het leven te ontkomen. Kwam het alleen door dat `heel erge', waarmee het intussen al grotendeels goed was gekomen, al bleef er een zwak punt bestaan, de angst op school de vinger te moeten opsteken, te dikwijls... Kwam het enkel door dat woord: hoe zul je ooit in het leven kunnen staan?''

Intussen moest ze wel het verlies van haar moeder verwerken. ,,Onze lieve moeder ging heen, nauwelijks veertig jaar oud. (...) Ze was een heilige.''

Het volwassen leven naderde. ,,Het werd nu tijd voor mij om naar de kweekschool te gaan, onderwijzeres te worden. Dat sprak zo vanzelf! Ik kon buitengewoon vlug leren! (...) Ik stribbelde niet tegen, ik sprak me tegen niemand uit. (./.) Feitelijk was ik dodelijk vermoeid. Ik kon niet in het strakke gareel lopen, mijn zenuwen raakten tot het uiterste gespannen, waardoor het natuurlijk met `dat heel moeilijke' steeds erger werd. (./.) Zo zette ik dus mijn eenzaam jammerlijk bestaan voort en kwam in de hoogste klas. Het `leven' was nu vlakbij. Nog een jaar, dan zou ik examen moeten doen en mijn eigen brood gaan verdienen.''

Ze werd ziek. Begon bloed op te geven en weigerde te eten. Ook haar zusje stierf aan tuberculose. Zelf opgegeven, begon ze als een bezetene te eten. Het begin van de omkeer kwam toen een dokter tegen haar zei: je hebt geen honger, je hebt verdriet. Ze overleefde deze crisis en werd beter. Wilma stond enige tijd voor de klas maar kreeg vooral waardering voor haar romans die de zielenstrijd in protestants-christelijke kring tot onderwerp hadden.

Wilma. Het heilig wonder van mijn leven. (1953, herdrukt 1993, Leiden)