Aan geruchten geen gebrek

Tijdens de oorlog in Bosnië mochten journalisten vrij rondlopen, nu houdt Servië de wereld buiten. Historisch gezien zijn restricties op oorlogsverslaggeving eerder regel dan uitzondering.

Net een scene uit Schindler's List, meende een functionaris van het Britse ministerie van Defensie, die voor de televisiecamera's van CNN en BBC World dagelijks een overzicht geeft van Servische wreedheden tegen de Albanese bevolking in Kosovo. Wie eergisteren de televisiebeelden van treinvluchtelingen uit Priština in Macedonië had gezien, kon die vergelijking met een film over de jodenvernietiging in de Tweede Wereldoorlog misschien wel billijken.

Maar kennelijk was het de Britse woordvoerder, wiens mededelingen over Kosovo doorgaans even schokkend als moeilijk te controleren zijn, ontgaan dat in een oorlog zonder tv-camera's juist de aankomst van déze vluchtelingen wél door meerdere cameraploegen was gadegeslagen. Anders had hij er wel van afgezien te vertellen dat de groep trein vluchtelingen alleen uit vrouwen, kinderen en ouden van dagen had bestaan, omdat de weerbare mannen door de Serviërs met onbekende bestemming waren afgevoerd. Op de televisiebeelden was duidelijk te zien dat onder de treinvluchtelingen veel jonge mannen waren.

De oorlog om Kosovo had zich net zo goed op de maan kunnen afspelen – zo zeldzaam zijn serieuze verslagen van onafhankelijke journalisten uit het oorlogsgebied. De oorlog is een historische gebeurtenis van formaat: voor het eerst sinds zijn oprichting valt de NAVO een land aan. De technische mogelijkheden en inzet van de media zijn groter dan ooit: draagbare telefoons, satellietverbindingen en vele honderden journalisten.

Maar een media-event is de oorlog nauwelijks: het eigenlijke oorlogsgebied is voor de internationale media gesloten. De krantenlezer of televisiekijker is voor zijn kennis bijna geheel afhankelijk van oorlogspropaganda: NAVO-woordvoerders, Joegoslavische autoriteiten of de Servische staatstelevisie, de enige leverancier is van oorlogsbeelden. Authentiek zijn slechts de verslagen aan de rand van het strijdtoneel, waar de vluchtelingen aankomen.

Aan sombere verdachtmakingen en geruchten geen gebrek – maar feiten zijn nauwelijks voorhanden. Woordvoerders dalen vaak af tot invectieven: vanaf het begin van de strijd hebben de Joegoslavische staatsmedia Clinton tot `oorlogsmisdadiger' uitgeroepen; NAVO-woordvoerders noemen Miloševic serial ethnical cleanser.

Onwetendheid regeert sinds vorige week, bij de aanvang van de NAVO-bombardementen, een lange rij gepantserde jeeps uit Priština naar Macedonië reed. Het was de uittocht van de internationale pers. Sinds het jarenlange beleg van Sarajevo was bekend dat je voor een succesvolle verslaggeving in ex-Joegoslavië kogelvrije vesten en gepantserde voertuigen moest meenemen.

Geen enkele beschermende maatregel bleek echter afdoende tegen persoonlijke bedreiging van journalisten in Priština en in mindere mate de Joegoslavische hoofdstad Belgrado, een reeks intimiderende arrestaties, uitwijzingen en een (slechts gedeeltelijk geëffectueerd) verbod op de aanwezigheid van buitenlandse journalisten in Joegoslavië. Het handjevol dat in Belgrado bleef, heeft weinig mogelijkheden.

Het thuisfront

Restricties op verslaggeving in oorlogstijd zijn, historisch gezien, eerder regel dan uitzondering. De Golfoorlog van 1991, die als eerste internationale oorlog van de postcommunistische wereld lang de toon heeft gezet, was een van de meer restrictieve. Aan geallieerde zijde kon het front alleen worden benaderd aan de hand van persvoorlichters. Irak wees bijna alle buitenlandse journalisten het land uit. Eén mocht blijven, Peter Arnett van CNN, en vertellen hoe hij de kruisraketten die zijn collega's in het Golfgebied zagen afschieten, in de Iraakse hoofdstad Bagdad neerkwamen. Arnett werd daar zeer beroemd mee.

De moderne, niet zelf tot de strijdkrachten behorende oorlogsjournalist is ontstaan in het midden van de vorige eeuw. De invoering van de telegraaf, en daarmee de mogelijkheid heet van de naald over het verloop van de strijd te berichten, gaf de bedrijfstak een enorme impuls. Maar de beroemdste oorlogsverslaggevers ontleenden hun faam niet aan de feitelijke betrouwbaarheid van hun berichten, maar aan de strekking ervan: meestal een aanklacht aan het adres van het thuisfront.

Zo werd William Russell van de Londense Times, een der eerste vertegenwoordigers van de soort, tijdens de Krim-oorlog in 1854 niet alleen beroemd door zijn beschrijving van hoe Britse militairen door Russen in de pan werden gehakt, maar met name door zijn vlammende beschuldigingen over nalatigheid van Britse legerleiding en regering.

Peter Arnett was misschien wel de eerste oorlogsverslaggever, die in 1991 niet beroemd werd door een visie, of door het literair gehalte van zijn beschrijvingen. En evenmin doordat hij onbekende feiten boven water tilde, al deed hij zijn best. Het was het loutere feit dat hij aanwezig was in Bagdad en aan de telefoon hing als de raketten vielen. In het tijdperk van live nieuwstelevisie bleek de fysieke aanwezigheid van de verslaggever voldoende om journalistieke geschiedenis te schrijven.

Onbeperkte toegang

Kort daarna begon de burgeroorlog in Joegoslavië waar journalisten, tot hun aangename verbazing, vrijwel onbeperkte toegang tot het strijdtoneel bleken te hebben. Zij konden – zeldzaam verschijnsel – de strijd aan meerdere zijden van het front verslaan. De enige beperking was de mate van fysiek risico die de verslaggever bereid was te ondergaan bij het doorkruisen van het niemandsland tussen de fronten of het bezoeken van plaatsen die onder schot werden gehouden.

Zo was het voor buitenlandse journalisten in het belegerde Sarajevo niet ongewoon om op één dag zowel plaatjes in de belegerde stad te schieten, als in de Servische loopgraven in de bergen van waaruit de stad onder vuur werd genomen. De buitenlandse journalist was op beide locaties even welkom, ook al veranderde dat op den duur toen de belegerde partij meende dat Westerse interventie te lang uitbleef en de Bosnische Serviërs vonden dat zij ten onrechte door de NAVO in de tang werden genomen.

Ook onder de verslaggevers nam de opgetogenheid over de ongekende mogelijkheden tot feitelijke verslaggeving en fysieke presentie aan de fronten mettertijd af. De oude gewoonte van de preek voor het thuisfront stak weer de kop op. Vooral Britse en Amerikaanse verslaggevers begonnen – soms met veel vertoon van gewetensnood – de dagelijkse wreedheden mede te wijten aan de onwil van hun eigen regering militair in te grijpen in ex-Joegoslavië.

Een categorisch `verboden toegang' voor de pers, zoals nu in Kosovo, is in de loop van de Joegoslavische burgeroorlog nog niet vertoond. Hoogstens zijn incidenten door de strijdende partijen zoveel mogelijk van de pers afgeschermd, zoals de inname van de stad Vukovar door Servische troepen, of de massale verdrijving van Serviërs door Kroaten uit de Krajina.

Maar daar stonden weer andere gevallen van opvallende openheid tegenover, met name van Servische zijde. De beelden die de Britse televisiemaatschappij ITN in 1993 maakte van Servische gevangenkampen in Bosnië – vermoedelijk het journalistieke product dat in al deze jaren de Servische zaak het meest kwaad heeft gedaan – waren met enthousiaste medewerking van de bewakers tot stand gekomen.

De Serviërs zijn voor hun openheid door de internationale oorlogspers bepaald niet beloond. De manier waarop NAVO-woordvoerders nu spreken over Servische militairen of president Slobodan Miloševic sluit naadloos aan op de trant waarin een groot deel van de wereldpers tijdens de oorlog in Bosnië over hen schreef: die verstaan alleen maar de taal van het geweld, en als je ze die taal laat horen dan binden ze wel in en komt er een einde aan veel onaanvaardbare gruwelen.

Het is, gegeven het licht ontvlambare Balkan-gemoed, eigenlijk merkwaardig dat die houding niet al veel eerder tot een Servische persbreidel heeft geleid. Tot vorige week was daarvan echter nauwelijks sprake, ook niet in Kosovo: jarenlang hebben bosjes buitenlandse verslaggevers in Priština onbelemmerd de deur platgelopen bij Ibrahim Rugova en andere Albanese nationalisten.

Het persbeleid dat de Joegoslavische overheid in deze oorlogsdagen voert, is niet eenduidig. Zo openbaarde zich vorige week een richtingenstrijd tussen het ministerie van Informatie van de deelrepubliek Servië – dat alle journalisten wilde uitwijzen – en het meer liberale ministerie van Informatie van de federale staat Joegoslavië. De autoriteiten van de andere deelrepubliek binnen Joegoslavië, Montenegro, leggen buitenlandse journalisten tot nu toe geen strobreed in de weg.

De meeste buitenlandse verslaggevers die nog in Joegoslavië zijn, hebben dan ook in de Montenegrijnse hoofdstad Podgorica hun tenten opgeslagen. Maar er zijn er ook nog in Belgrado, onder wie verslaggevers van de NOS, de Vlaamse publieke omroep en de BBC. Een reporter van de Amerikaanse nieuwszender CNN, eerder Joegoslavië uitgezet, mocht naar Belgrado terugkeren. Allen maken melding van censuur en pressie van Servische zijde, maar het is onduidelijk in hoeverre zij te maken hebben met een eenduidige lijst verboden en eisen.

De ambivalente situatie van de buitenlandse pers lijkt op die van de locale media in Servië. Anders dan sommige NAVO-propagandisten ons willen doen geloven, is het media-aanbod in Servië niet beperkt tot staatsmedia. Een aantal onafhankelijke bladen, zoals het weekblad Vreme, verschijnt nog. Ook is er een aantal onafhankelijke, plaatselijke radio- en televisiestations in de lucht. Veel inwoners van Belgrado betrekken hun nieuws over de toestand niet van de Servische staatsradio maar van het kleine Radio Studio B.

Tekenend is de situatie van het Belgradose radiostation B92, waarvan de FM-zender door de autoriteiten in de eerste uren van de oorlog werd gesloten. B92 zendt via Internet zijn programma's ongehinderd naar het buitenland, waar ze op de satelliet worden gezet en vervolgens binnen Servië weer worden overgenomen door tientallen onafhankelijke radiostations in Noord-Servië, waaronder 's ochtends het in Belgrado hoorbare Radio Pancevo.

Feiten en feitjes

De Servische overheid kan zich deze kleine inbreuken op haar informatiemonopolie vermoedelijk makkelijk veroorloven. Ook oppositionele Serviërs menen immers dat Joegoslavië de militaire druk van de NAVO tot nu toe goed heeft doorstaan, dat de bombardementen onrechtvaardig zijn en dat Miloševic als onbetwist nationaal leider uit de de eerste oorlogsdagen tevoorschijn is gekomen. Ze geven aan die gevoelens ook uitdrukking in de onafhankelijke media. ,,De NAVO staat voor een moeilijke keuze: grondtroepen sturen met veel kans op slachtoffers, of terugkeren naar de onderhandelingstafel met een Miloševic die nog sterker staat dan tevoren'', aldus deze week een commentator van Vreme.

Als de zaken zo staan – zou je denken – dan kan Joegoslavië ook makkelijk buitenlandse journalisten toelaten. Maar van veel pogingen tot public relations, het verkopen van de eigen standpunten aan het buitenland, is geen sprake. Deels is het een personeelsprobleem: Joegoslavische journalisten en diplomaten die wisten hoe er in het Westen gedacht wordt, zijn de afgelopen jaren op grote schaal vervangen door simpele, regime-getrouwe figuren. Zij beheersen alleen een geborneerde, extremistische betoogtrant beheersen, die buiten Joegoslavië louter bevreemding wekt.

Maar zoals BBC-verslaggever John Simpson in Belgrado opmerkte, in Belgrado acht men het kennelijk helemaal niet nodig, de publieke opinie in het buitenland nog te bewerken. ,,De Serviërs'', aldus Simpson, ,,zijn er zozeer van overtuigd dat het Westen in ieder geval tegen hen is, dat ze de noodzaak niet inzien om het Westen op andere gedachten te brengen.''

De enige burger van Servië die deze week prijs stelde op een weerwoord in de Westerse media was de bendeleider Arkan. Daags nadat NAVO-woordvoerders hem ervan hadden beticht met zijn privé-legertje actief te zijn in de etnische zuivering van Kosovo, liet hij zich door Westerse journalisten in Belgrado interviewen: aan de wandel met zijn kinderen, een borreltje drinkend met zijn vrouw in een hotelbar. Dat je met een beetje snelle auto vanuit Belgrado in vier uur in Priština kunt zijn, bleef daarbij onvermeld.

Westerse militairen waren de afgelopen jaren veelal aangenaam getroffen door het vuur waarmee oorlogsverslaggevers uit Joegoslavië voor militair ingrijpen in Joegoslavië pleitten. Sinds de Vietnam-oorlog waren onze militairen er aan gewend geraakt dat hun bedrijf in de pers voornamelijk als wreed, onzinnig, hopeloos en zonde van het geld werd afgespiegeld.

In zekere zin zijn de bombardementen die de NAVO nu in Joegoslavië uitvoert, dus een vervulling van de vurige wens van menige oorlogscorrespondent tijdens de oorlog in Bosnië. Niemand kan nog zeggen dat het Westen in Kosovo aarzelt zijn militaire kracht te laten voelen. Maar van euforie over het NAVO-ingrijpen is tot nu toe weinig sprake binnen de Westerse journalistiek, eerder van achterdocht, of twijfels over de effecten van de bombardementen. Het is ook nooit goed.