Wat we hadden kunnen weten

In het voorjaar van 1942 ontving SS Standartenführer Paul Blobel een even lugubere als merkwaardige opdracht: tienduizenden lijken in op de Russen veroverd gebied moesten worden opgegraven en verbrand. Hoe vreemd deze opdracht op zichzelf ook was, hij werd aan de juiste man gegeven. Blobel wist waar veel van die doden lagen, want een flink aantal ervan had hij op zijn eigen geweten. Blobels formatie had deelgenomen aan het executeren van 34.000 joden in de Oekraïense vallei Babi Jar bij Kiev. Dezelfde Blobel arrangeerde het doden van negentig joodse weeskinderen in Belaja Tsjerkov, eveneens in de Oekraïne. Voor hem en de chefs van de vele andere Sonderkommando's was dit sinds het begin van de Duitse aanval op de Sovjet-Unie in juni 1941 routine.

Nu, na nog geen jaar, moesten de kuilen met lijken weer open, de lichamen overgoten met benzine en verbrand. Waarom? Uit Britse radiouitzendingen had het Reichssicherheitshauptamt (RSHA) in Berlijn afgeleid dat de Geallieerden wisten van de groepsexecuties van burgers achter het Oostfront. De Britten waren erin geslaagd de code te breken van de radioboodschappen waarin de Sonderkommando's dagelijks hun successen aan het RSHA meldden. Vanaf het voorjaar van 1942 werd in de meldingen niet meer openlijk gerept van `doden', maar van eufemismen als `speciale behandeling' en `definitieve oplossing'.

Dit leidt de Amerikaanse historicus Richard Breitman, gespecialiseerd in de geschiedenis van de Holocaust en auteur van Official Secrets, naar de vraag waarom de nazileiders zich al begin 1942 geroepen voelden de sporen van hun genocide uit te wissen, zowel verbaal als feitelijk. Op dat moment hoefden de schrijftafelmoordenaars noch hun handlangers immers bang te zijn voor hun daden ter verantwoording te worden geroepen. Duitsland had weliswaar de eerste tegenslagen moeten incasseren, voorop de onverwacht harde tegenstand van de Sovjets en de Russische winter, maar over het geheel genomen verliep de oorlog voor Hitler nog altijd buitengewoon voorspoedig.

Breitman houdt het erop dat de nazi's beducht waren voor de mogelijkheid dat de Duitse bevolking weet zou krijgen van het verschrikkelijke lot dat de joden, ook de Duitse, in het oosten wachtte. Zelfs in Duitsland werd gretig naar de BBC-radio geluisterd, reden waarom de Britse uitzendingen door Duitsland extra werden gestoord wanneer er op de radio werd gerefereerd aan Duitse wreedheden in Oost-Europa. Bovendien kwamen Duitse beulen met verlof naar de Heimat, onder wie velen die hun geweten voelden knagen en in familiekring hun mond niet konden houden. Als het geheim van de Endlösung bekend werd, zou de steun van het volk voor het nazi-bewind weleens kunnen inzakken. Daarom moest de `bijzondere behandeling' van met name de joden zoveel mogelijk aan het oog worden onttrokken, zelfs al was die een logisch uitvloeisel van de nazi-ideologie.

Natuurlijk is allang duidelijk dat om die reden de vernietigingskampen door de nazi's zo ver mogelijk naar het oosten waren gesitueerd. Om dezelfde reden werden de miljoenen gedode gevangenen later gecremeerd, en niet meer begraven. Nieuw in Reitmans boek zijn de aanwijzingen dat de nazi's al heel vroeg in de oorlog motieven hadden om hun `grootste triomf', de grotendeels geslaagde uitroeiing van de Europese joden, te camoufleren.

Als deze veronderstelde drijfveren kloppen, wat door Reitman zeer aannemelijk wordt gemaakt, krijgt de opzienbarende these van Daniel Goldhagen, in Hitler's Willing Executioners, dat de Endlösung alleen kon slagen doordat vrijwel alle Duitsers hevig antisemitisch waren, opnieuw een gevoelige knauw. Want als het Duitse volk inderdaad niets liever wilde dan de joden massaal uit de weg ruimen, zou het niet nodig zijn geweest te verhullen dat aan de uitvoering van dit verlangen met verbijsterend resultaat werd gewerkt.

Reitman verwijst zelf ook even aan het ondermijnend effect van zijn vondst op Goldhagens hypothese, maar dat is zogezegd een bijproduct van zijn onderzoek. Zijn doel is een bijdrage te leveren aan het debat over de vraag of de Britten en Amerikanen de jodenmoord hadden kunnen tegengaan of ten minste afremmen. Aanleiding voor zijn studie was de ontdekking van dozen vol transcripties van het gedecodeerde radioverkeer tussen de Sonderkommando's en het RSHA.

Het lot van die ontcijferde radioberichten in de oorlog is de rode draad in zijn boek, en dat lot is treurig. Kopieën van de onrustbarende meldingen kregen slechts een beperkte verspreiding. Winston Churchill gebruikte ze als basis voor een radiotoespraak over Duitse barbaarsheden, overigens zonder de joden speciaal te noemen. Ook in andere radio-uitzendingen is zijdelings gerefereerd aan de berichten uit het oosten. Maar over het geheel genomen, constateert Reitman, is er veel te weinig met de informatie gedaan. Zo ontdekte hij dat tijdens de oorlog nooit een kopie ervan de Amerikanen heeft bereikt. Tot voor zeer kort waren de transcripties omgeven door een waas van geheimhouding, ongetwijfeld een gevolg van de Britse angst iets van de eigen vaardigheid in het decoderen prijs te geven, samen met de algemene koudwatervrees van autoriteiten. Zelfs nu nog zijn veel documenten die betrekking hebben op dit aspect van de oorlog, niet ter inzage.

Het hoofdstuk dat Reitman wijdt aan die geheimhouding, en aan zijn moeizame gevecht om de transcripties te mogen bestuderen, is zeer lezenswaard. Minder overtuigend is de auteur in de uitwerking van zijn centrale stelling dat als de geallieerden de radiomeldingen goed hadden bestudeerd, en de inhoud hadden gecombineerd met gegevens uit andere bronnen, zij al in 1942 vrij nauwkeurig hadden kunnen weten hoe de massamoord op de joden in zijn werk ging.

Evenals zijn Amerikaanse collega William Rubinstein in The Myth of Rescue (1997) komt Reitman tot de conclusie dat tegenmaatregelen - het bombarderen van de gaskamers of van de spoorlijnen ernaartoe - onuitvoerbaar danwel zinloos waren geweest. In tegenstelling tot Rubinstein meent Reitman echter dat het wèl mogelijk zou zijn geweest de Duitsers onder druk te zetten om de Endlösung te staken. De opdracht aan Blobel was al een, bescheiden, voorbeeld van de invloed die Britse kennis kon hebben op het beleid van de nazi-top.

Misschien heeft hij gelijk; maar het onbevredigende van what if-vraagstelling is dat dit nooit te bewijzen is. Zinvoller is het, te analyseren waarom niet al vroeg een duidelijk beeld van de omvang en werkwijze van de jodenmoord ontstond, ondanks de uit de ether geplukte informatiestroom. Als Reitman zich niet alleen in de feiten, maar ook in de psychologie van zulke processen had verdiept, was zijn oordeel vermoedelijk genuanceerder uitgevallen. Zo geeft hij terloops aanwijzingen waaruit blijkt hoezeer ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog in de jaren veertig nog een rol speelden. In die oorlog had de Brits-Franse propaganda zoveel Duitse gruweldaden verzonnen of opgeklopt dat Londen vreesde al bij voorbaat ongeloofwaardig te zullen zijn door opnieuw te beginnen over adembenemende Duitse wreedheden.

Een belangrijk voorbeeld daarvan vormen de opgevangen radioberichten dat de Sonderkommando's giftige gassen gebruikten om mensen te verdelgen. In de Eerste Wereldoorlog hadden de Duitsers gifgas ingezet. De hysterische verhalen die de Engelsen vervolgens over Duits gas in circulatie hadden gebracht, waren dermate buiten proportie geweest dat deze propaganda elke geloofwaardig¡heid had verloren. `Gas' was een besmet woord geworden, synoniem voor `leugen'.

Het belangrijkste was echter dat mensen de berichten over een doelgerichte, welbewuste massavernietiging van joodse burgers eenvoudig niet konden geloven. Was het geen poging leed te overdrijven? Zelfs nu we zeker weten dat het níet was overdreven, kunnen we het nog altijd niet bevatten.

Richard Breitman: Official Secrets. What the Nazis Planned. What the British and Americans Knew. Hill and Wang, 325 blz. ƒ62,50