Wajong-uitkering

Het standpunt van Kieviet en Roelofs (NRC Handelsblad, 29 maart) dat jonggehandicapten terecht buiten de WAO–discussie zijn gebleven, is in de vigerende wet- en regelgeving echter niet te herkennen: de in 1998 ingevoerde Wajong is vrijwel geheel gebaseerd op de oude AAW: slechts de in de AAW betaande `maatman' is vervangen door de impliciete maatman minimumloner. Dit verslechtert nogmaals de positie van de groep jonggehandicapten, die, weliswaar niet verstandelijk gehandicapt, om verschillende redenen – ook vaak geheel buiten henzelf gelegen – evenmin in staat zijn om tot de arbeidsmarkt toe te treden.

Nergens in de Wajong (en in alle overige Nederlandse wetgeving inzake arbeidsongeschiktheid) wordt het begrip handicap gedefinieerd. De systematiek van de wet is gebaseerd op de oude ongevallenwet: deze was indertijd wel toepasbaar op een werknemer met een arm in het weefgetouw, maar is dat zeker nu niet op de situatie van de huidige jonggehandicapten. Hier wreekt zich wellicht in tegenstelling tot de ons omringende landen zoals Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk, het gemis van een werkelijke oorlogsgeschiedenis van Nederland. Grote groepen – dus ook invloedrijke – jonge mensen zijn uit diverse gevoerde conflicten lichamelijk gehandicapt teruggekeerd, zodat de noodzaak voor adequate voorzieningen voor voldoende opvang en reïntegratie daar reeds lang een absolute noodzaak is.

Ik ben in ernstige mate gehandicapt, en heb ondanks opleiding en ervaring nooit een baan kunnen vinden. In de alhier in sociaal opzicht veel verguisde Verenigde Staten ken ik iemand, even oud als ik, met exact dezelfde, zeldzaam voorkomende, handicap (hemipelvectomie) vanwege exact dezelfde oorzaak (een zeldzame kankersoort), uit dezelfde tijd stammend (eerste helft jaren zestig), die vanwege haar handicap wèl op gemeenschapkosten ook een universitaire studie (arts) heeft kunnen volgen, en daarmee haar eigen inkomen (nog steeds) kan verwerven.